Research
Articles
De technologische kloof: tweede bedrijf
Thans herhaalt de geschiedenis zich. Ruim dertig jaar later blijkt dat de Amerikaanse economie nog steeds de meest innoverende is. Om de kloof te overbruggen heeft de Europese Raad te Lissabon in maart 2000 ambitieuze plannen ontvouwd om van 'Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale cohesie'.
Ter uitwerking daarvan is de Europese Commissie inmiddels al met concrete voorstellen op een groot aantal terreinen gekomen. Een interessant element van de nieuwe aanpak wordt gevormd door de invoering van een innovatiescorebord, dat in samenwerking met de OESO is opgesteld. Hierdoor wordt het mogelijk om de sterke en zwakke punten in de innovatieinspanning van de EU-lidstaten te beoordelen en - voor een beperkt aantal indicatoren waarvoor relevante statistische gegevens beschikbaar zijn - de prestaties van de Europese Unie met die van de Verenigde Staten en Japan te vergelijken.
Maar zal het Europa lukken om de meest dynamische kenniseconomie ter wereld te worden? En zal het Europa door bevordering van innovatieve activiteiten lukken om de werkloosheid substantieel te verlagen? Hoewel de nieuwe Europese aanpak voor de bevordering van innovatie ongetwijfeld tot belangrijke verbeteringen kan leiden, is dat hoogst onwaarschijnlijk. Wat betreft de eerste vraag kan worden opgemerkt dat het meer collectivistische Europese Rijnlandmodel met zijn sterk ontwikkelde verzorgingsstaat en relatief egalitaire inkomensstructuur sociaal en politiek gezien vele positieve kanten heeft. Maar het systeem verschaft toch minder economische prikkels om te ondernemen, risico's te nemen en te innoveren dan het meer individualistische, minder inkomens-genivelleerde Amerikaanse model. Opvallend in dit verband is ook dat in de Europese aanpak de overheid een centrale rol speelt, terwijl in de VS innovatie een spontaan proces is als gevolg van marktwerking, zoals onder andere wordt geïllustreerd door de opkomst van Silicon Valley.
Een bijkomend argument waarom de EU er niet in zal slagen om haar doelstelling te bereiken is de strijdigheid tussen verschillende beleidsprioriteiten. Hieruit omstaat de indruk dat de rechterhand soms niet weet wat de linker doet. Sterker nog: dat de wil om dat te weten te komen ontbreekt. Hiervan zijn talloze voorbeelden. Vooral op milieugebied is de onzekerheid groeiende, met name door de verschillen in nationale wetgevingen die aan het ontstaan zijn. Volgens het Verdrag komt de milieuwetgeving tot stand onder art. 175 dat de lidstaten de vrijheid laat verder te gaan dan de EU-richtlijnen, tenzij flagrante storingen van het onderlinge vrije verkeer aangetoond kunnen worden. Zo heeft Denemarken onlangs een verbod op het gebruik van lood en andere zware metalen aangekondigd, onder meer in elektrische en electronische producten, zonder dat de vraag werd beantwoord of er reeds vervangende middelen zijn. De moeilijkheden die hierdoor voor het bedrijfsleven ontstaan zijn fnuikend, vooral voor de kleinere ondernemingen.
Een ander voorbeeld betreft een voorstel voor een gemeenschappelijke EU-regeling voor de aansprakelijkheid met betrekking tot milieuschade, waarbij de Commissie denkt aan een verlichting van de bewijslast. Als het voorstel wordt aanvaard, zullen zowel particulieren als actiegroepen bedrijven voor de rechter kunnen slepen voor vermeende schade aan de biodiversiteit, waarvan zowel aard als omvang, alsmede eventuele kosten van herstel, bijzonder moeilijk zijn te bepalen. Dit leidt tot extra aansprakelijkheidsrisico's voor bedrijven, waartegen het zich in vele gevallen niet kan verzekeren. Dit alles zal ongetwijfeld een negatief effect hebben op het investeringsklimaat in Europa. Gevreesd moet worden dat in het bijzonder de biotechnologie naar elders zal uitwijken.
Wat de tweede vraag - over de werkloosheid - betreft wordt wel de indruk gewekt dat het huidige Europese arbeidsoverschot door stimulering van innovatieactiviteiten zou kunnen worden geabsorbeerd. Dit is een misvatting. De causale relatie tussen meer kenniseconomie en meer vraag naar arbeid is zwakjes. Natuurlijk zou men kunnen beweren dat hoe sterker de positie van een land in de kenniseconomie is, des te sterker ook zijn internationale concurrentiepositie. En dit zou dan weer leiden tot grotere werkgelegenheid. Maar - kenniseconomie of geen kenniseconomie - gedurende vele decennia was er niets mis met bijvoorbeeld de Nederlandse internationale concurrentiepositie, getuige de royale overschotten op de lopende rekening van onze betalingsbalans. En dat alles in een periode waarin wij zowel hoge als lage werkloosheid hebben gekend. Er moet dus nog een andere factor zijn die het niveau van werkloosheid bepaalt. En dat is natuurlijk de prijs van de arbeid. Dat alles betekent uiteraard niet dat innovatie daarom onbelangrijk zou zijn. Want het gaat niet alleen om werkgelegenheid tout court, maar liefst om goed betaalde werkgelegenheid. En dat is het soort werkgelegenheid dat in de kennisintensieve bedrijven kan worden gecreëerd. Maar dat alles neemt niet weg dat de vraag naar arbeid - en dus het niveau van werkgelegenheid - primair afhankelijk is van arbeidskosten, waaronder de hoogte van de lonen, arbeidsvoorwaarden, kosten voor sociale zekerheid en arbeidswetgeving (bijvoorbeeld de ontslagwetgeving). Deze zijn bepalend voor de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en daarmee voor de vraag naar arbeid. Zolang een aanpak langs deze lijnen in Europa op politiek en maatschappelijk verzet blijft stuiten, zal de Europese werkloosheid relatief hoog blijven.
Al met al dient de nieuwe Europese aanpak om de innovatie te bevorderen mijns inziens toch per saldo positief te worden gewaardeerd. Maar zonder verbetering van de marktwerking binnen de Europese economie, bijvoorbeeld door de introductie van meer financiële prikkels en door aanpassing van de regelgeving, zodat het bedrijfsleven niet met onnodige onzekerheid, extra kosten en risico's wordt geconfronteerd, zal het effect daarvan toch achterblijven bij het beoogde doel.