Research
Articles
Economische diplomatie broodnodig
Een wereld van schuivende machtsverhoudingen vereist een duidelijke strategie, open visie en lef. De oproep tot selectief industriebeleid 'nieuwe stijl' in de evaluatie van de Kennisinvesteringsagenda toont dit. Maar wie a zegt moet ook b zeggen, dus vergeet de buitenlandse dimensie van investeringen in de Nederlandse kennisstructuur niet. Werk aan de winkel, óók voor minister Verhagen en VNO-NCW-voorzitter Wientjes, die onlangs betoogden dat economische diplomatie een meer centrale plaats moet krijgen.
Hoog tijd voor actie: Nederlandse investeringen in R&D schieten al jaren tekort. Terwijl de uitgaven elders opliepen, daalden ze bij ons steeds verder onder de 2% van het bruto binnenlands product. Binnen de Oeso deed alleen Slowakije het slechter. Ondertussen benaderen de investeringen van economisch groeiwonder China percentueel de onze en liep R&D 'zelfs' in het stagnerend Japan op tot 3.4%.
Dat het jarenlange taboe op selectief industriebeleid doorbroken is, biedt goede hoop op hoognodige discussie. Want wie succesvol wil zijn moet óók prioriteiten durven stellen.
Het is twijfelachtig of Nederland 'in vijf stappen naar de top vijf' kan komen, zoals de Kennisinvesteringsagenda beoogt. Want de voorgestelde investeringen schetsen 'slechts' de binnenlandse voorwaarden, terwijl markten voor technologisch hoogwaardige producten en diensten vooral buiten Nederland liggen. En juist in sectoren waarin Nederland kansrijk is (waterbeheer, energie, landbouw en havenontwikkeling bijvoorbeeld), speelt de overheid een belangrijke rol. De in- en afzet van opgedane kennis vereist dus ook een internationale strategie.
Hier komt economische diplomatie in beeld. Enerzijds kunnen Nederlandse diplomaten méér (effectief) ingezet worden voor commerciële doeleinden. Zij kunnen handels- en investeringscontacten bevorderen, kansen voor aanbestedingen vroegtijdig onderkennen, en intellectueel eigendom beschermen. Anderzijds kan superieure technologische kennis politieke doelen dienen, denk aan klimaatbeleid of ontwikkelingssamenwerking. Afstemming tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstituten is dan van groot belang.
Wil het voorgestelde beleid slagen, dan moeten binnenlandse en buitenlandse dimensies van kennisvergaring en -toepassing samen beschouwd worden. Binnenlands industriebeleid is één zijde van de munt, economische diplomatie de andere. Overigens is op beide terreinen samenwerking tussen Europese landen gewenst, ook om de Europese Unie als geheel te verstevigen. Want om sterk te staan in de internationale politiek, is de economische kracht van Europa als geheel vereist.
Het lag in de lijn der verwachting dat juist nu de roep voor selectief industriebeleid weer naar voren komt. Een blik op de geschiedenis leert dat in tijden van schuivende mondiale machtsverhoudingen politieke instrumenten relatief meer ingezet worden voor economische doeleinden, evenals economische instrumenten voor politieke doeleinden.
De Aziatische 'economieën van de 21ste eeuw' maken al langer méér en anders gebruik van economische middelen. Daarop moeten we uit eigen belang een antwoord te formuleren. De evaluatie van het Innovatieplatform is een belangrijke stap. Maar wel een die schreeuwt om synergie met economische diplomatie.
Maaike Okano-Heijmans is onderzoeker bij Instituut Clingendael te Den Haag.