Research

Europe and the EU

Articles

EU kan goed zonder Europees Parlement

19 Jan 2009 - 14:39

In juni worden de Europese parlementsverkiezingen gehouden. De opkomst is traditioneel laag en lag in 2004 onder de 40 procent. Ook de lijsttrekkersverkiezingen tonen een gebrek aan enthousiasme. Met moeite haalde de verkiezing in de PvdA op 22 december een opkomst van 18 procent. Zelfs de betrokken burger lijkt daarmee ondankbaar en/of dom. Heeft de burger stemrecht dan komt hij niet. Daarbij, Europa zou te ver afstaan van de burger en deze zou niet meer begrijpen waar het over gaat. Het is te voorspellen dat politici, pers en opinieleiders in juni weer verbaasd en verongelijkt zullen reageren op de lage opkomst. Maar misschien is de burger wel slimmer dan op het eerste gezicht lijkt.

 

Ogenschijnlijk gaat het bij de Europese parlementsverkiezingen om het democratisch gehalte van de EU en ondermijnen lage opkomstcijfers de Europese democratie. Democratie is echter geen doel, maar een middel. Waar het om gaat is de 'legitimiteit' van het Europees beleid. Legitimiteit kent verschillende onderdelen en democratische legitimiteit is er daar slechts één van. Er moet een breed draagvlak zijn voor de EU en dit is gekoppeld aan controle op de besluitvorming en de uitvoering.

Deze controle vindt plaats door juridische controle op uitkomsten en procedures zoals bijvoorbeeld op de vraag welke bestuurslaag bevoegd is om besluiten te nemen. Verder vindt er controle plaats via evaluaties en toezicht van de Europese Rekenkamer. Daarnaast zijn er allerhande consultaties met het bedrijfsleven en belangengroepen en zijn besluitvormingsprocedures vastgelegd. Hiermee is de legitimiteit veel breder gewaarborgd dan via democratische controle.

Een interessante ontwikkeling op het gebied van legitimiteit is het depolitiseren van beslissingen. Dit gebeurt op meerdere manieren. De eerste is de democratische invloed te beperken tot hoofdlijnen en de invulling over te laten aan experts. De Europese Centrale Bank bijvoorbeeld stelt de rentevoet vast binnen een democratisch vastgesteld kader. De opdracht aan deze Bank is te zorgen voor een stabiel rentebeleid. Expliciet is democratie hier ingeperkt om de legitimiteit te vergroten. Oftewel, de rentevoet mag niet misbruikt worden voor korte termijn politieke doeleinden. Andere voorbeelden van depolitiseren zijn de Europese agentschappen die meer of minder onafhankelijk beleid voorbereiden. Daarnaast worden impact assessments gebruikt om beleid te onderbouwen en om alternatieven te ontkrachten of aan te dragen. Ook dit beperkt de speelruimte voor politici.

Dit soort aanvullingen op, of alternatieven voor democratie hebben alles te maken met het verschil tussen politieke belangen op korte termijn en maatschappelijke belangen op lange termijn, en met de technische complexiteit van het (Europese) beleid. Democratie is dus maar één onderdeel van de legitimiteit van het beleid.

Vervolgens moet de vraag gesteld worden naar de meerwaarde van het Europees Parlement (EP) bovenop de nationale parlementen. Een argument voor het EP is dat met het verdwijnen van unanimiteitsbeslissingen 'waarbij elk land Europese maatregelen kan tegenhouden' een 'democratisch tekort' zou zijn ontstaan. Overheden vergaderen in de Raad met hun Europese collega's en sluiten compromissen die ze vervolgens thuis kunnen verexcuseren door te zeggen 'ik heb het geprobeerd maar stond geïsoleerd'. Hierdoor lijken de nationale parlementen buiten spel te staan.

Tegen dit argument is nogal wat in te brengen. Juist door het EP kunnen de nationale parlementen achteroverleunen omdat de democratische controle toch op EU-niveau is afgedekt. Nationale parlementen gebruiken amper de instrumenten die ze hebben om democratische controle uit te oefenen op Europees beleid. Het debat in de Tweede Kamer eind december over het 'Ierse compromis' om de Europese Commissie niet te verkleinen leidde amper tot debat. Hierbij gaat het om het garanderen van een effectieve Commissie. Nederland vond een grote Commissie onwerkbaar. Met amper debat is de Tweede Kamer dus meegegaan met deze belangrijke wending in de samenstelling van de Commissie.

De grote vraag is: als de nationale parlementen de inbreng van ministers in de Raad controleren door Algemene Overleggen vooraf of door parlementaire debatten achteraf waarom dan nog een Europees Parlement? Subsidiariteit is een van de leidende principes in de EU en het valt nog te bezien of het EP zelf de subsidiariteitstoets kan doorstaan.

Verder maakt het voor het democratische gehalte van EU besluitvorming niet uit of lidstaten worden overstemd. Er zijn altijd winnaars en verliezers. Alleen wanneer nationale parlementen niet controleren (willen) is er een probleem.

Ook kleven er grote nadelen aan het EP. In de eerste plaats klopt het idee niet dat leden van het EP Europees denken. Veel EP leden denken uitermate nationaal of zelfs regionaal als ze een bepaalde constituency hebben. Ten tweede, als er iets een Europese bureaucratie belichaamt dan is dat wel het EP. Er zijn 785 leden maar het aantal zal iets gaan dalen mocht het Verdrag van Lissabon er komen. Drie weken per maand huist het EP in Brussel en dan volgt een week waarop het vergadert in Straatsburg. De logistiek van deze maandelijkse volksverhuizing inclusief dossierverplaatsingen extra hotelkosten etcetra is bijna niet voor te stellen (200 miljoen Euro). De totale kosten van het EP zijn 1.4 miljard Euro (2007).

Democratie wordt gezien als het hoogste goed en is daarmee misschien wel het laatste taboe. Het zou politiek correct zijn om de mooie slogans van een Europese democratie te steunen. Toch zijn er goede redenen om de rol van het EP te herwegen. De legitimiteit van de EU hangt van veel factoren af en als de nationale parlementen hun partij meespelen dan kan de Europese democratie goed draaien zonder. De lage opkomst duidt misschien op slimme burgers die weten of aanvoelen dat er toch iets mis is met het Europees Parlement.