Research
Articles
Europa blijft altijd onvoltooid
De echte dilemma's doen zich voor op de wat langere termijn. De grondwet stelt dat de "volkeren van Europa" vastbesloten zijn om "steeds hechter verenigd, vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming". Maar hoe Europees is die lotsbestemming eigenlijk ? Is het eeuwenoude paneuropese ideaal nog wel van deze tijd ? Voor de toekomst van de Europese Unie, en van de Nederlandse positie daarin, zijn drie lange-termijn tendenzen in het Europese krachtenveld van fundamenteel belang.
Politieke verbrokkeling
In de eerste plaats is de politieke eenwording van Europa altijd een hersenschim gebleken, enkele kortstondige gewelddadige pogingen daargelaten. De naoorlogse Europese integratie is primair een economisch en monetair proces, met de nodige samenwerking op flankerende beleidsterreinen. Die samenwerking vindt plaats in wisselende gezelschappen, in verschillende internationale organisaties, en met meerdere snelheden: van de Benelux tot de Raad van Europa, en van Schengen tot de West-Europese Unie. Veel van deze organisaties zijn in de loop der jaren min of meer opgeslokt door de EU, maar ook daarbinnen vigeren nog steeds heel verschillende regimes op allerlei terreinen. Pas nog hebben zes landen een apart verdrag getekend om nauwer samen te werken op het gebied van terrorismebestrijding. Weer een andere club heeft onlangs besloten een Europese gendarmerie op te richten, en de grote drie (Frankrijk, Duitsland, en het Verenigd Koninkrijk) steken ook regelmatig de koppen bij elkaar .
Als gemeenschappelijke markt met 450 miljoen consumenten vormt Europa een realiteit van de eerste orde. Als handelsblok en monetaire autoriteit behoort de Unie tot de grote spelers op het wereldtoneel. Het mededingingsregime van de Europese Commissie wordt gevreesd op de beurzen van Tokyo en New York. De geschiedenis heeft geleerd dat de EU op deze terreinen over opmerkelijke veerkracht blijkt te beschikken. Met China en India kunnen we best concurreren. Ook zonder constitutionele poespas.
Maar het politieke beeld is verbrokkeld. En dat ligt niet alleen aan de uitbreiding. De scheidslijnen lopen dwars door de oude verbanden. IJdele hoop om binnen een gezelschap van 25 terug te kunnen vallen op een vertrouwde kerngroep rond Frankrijk en Duitsland. Schröder en Chirac zijn de lamme en de blinde van de Europese Unie; de Benelux ligt aan duigen. De club van "zes" staat momenteel voor de ruziënde nettobetalers aan de EU-begroting (Frankrijk, Duitsland, Engeland; Nederland, Zweden, Oostenrijk), en niet meer voor de idealistische oprichters van de EG. En dat alles zonder Turkije.
De Atlantische component
Verder doet, in de tweede plaats, ook de transatlantische dimensie afbreuk aan de paneuropese roerselen. Over die dimensie is een beetje minnetjes gedaan tijdens het constitutionele debat. Alsof de veelgeroemde Europese zone van vrede en veiligheid overwegend op eigen Europese kracht tot stand is gebracht. Dat is wat al te ingebeeld.
De Amerikanen hebben in 1945 een eind aan de oorlog gemaakt in Europa, samen met de Russen en enkele Europese geallieerden, en ze hebben een cruciale rol gespeeld bij de opzet van de Europese gemeenschappen. De militaire en economische macht van de Verenigde Staten heeft in de jaren '80 de Sovjetunie op de knieëen gedwongen (terwijl sommige EG-landen geen Amerikaanse raketten op hun grondgebied wilden plaatsen), en zodoende de uitbreiding van de EU mogelijk gemaakt. Bush senior heeft de doorslag gegeven bij de Duitse eenwording (terwijl Mitterrand, Thatcher, en Lubbers tegenstribbelden); en de Amerikanen hebben uiteindelijk rust gebracht op de Balkan.
Zonder Amerika wordt het weer een bende in Europa. De wereld is beter af met een sterk Amerika en een politiek zwak Europa, dan met een Europese Unie die eigenlijk nergens anders op uit is dan de Verenigde Staten voor de voeten te lopen, zoals de gaullist Dominique de Villepin dat voor ogen staat. De creatieve Franse premier - volmaakte tegenpool van zijn Hollandse collega - stelt dat Europa "een vrouw" was voordat het een geografische uitdrukking werd. Maar hij weigert zich daarbij een geschikte man voor te stellen.
Door de hegemoniale positie van de Verenigde Staten en de erosie van de NAVO kunnen de EU-landen niet langer volstaan met vage bondgenootschappelijke trouw (of neutraliteit), maar worden ze gedwongen hun individuele koers ten opzichte van Washington te bepalen. Daarbij treden onverminderd grote verschillen aan de dag ondanks het "gemeenschappelijk" buitenlands- en veiligheidsbeleid. Londen, Parijs, Berlijn, Talinn, Warschau en Den Haag hebben elk hun eigen special relationship met de Verenigde Staten. Schröder onderhoudt zelfs betere betrekkingen met Poetin dan met Bush. De ernstige Europese verdeeldheid inzake Irak in 2003, net toen de Europese conventie zich koesterde in het constitutionele zonnetje, was geen toevallig incident. Wat ook opvalt is hoe diep de nationale reflexen nog steeds gaan na tientallen jaren economische integratie en Europese politieke samenwerking.
Zowel de NAVO als de EU zijn dus onderhevig aan centrifugale tendenzen. Van een soort twee-pijlerconstructie is geen sprake meer. Binnen het Euro-Atlantisch gebied ontstaan nieuwe vormen van politieke en militaire samenwerking, buiten de geijkte kaders om. Minister Bot suggereerde onlangs om het informele beraad van de Europese ministers van buitenlandse zaken ook open te stellen voor Condoleeza Rice. Op papier is er best een Atlantische Unie denkbaar met gemeenschappelijke regels voor handel en militaire veiligheid. Een groep gelijkgestemde landen, zoals Canada, Engeland, Noorwegen, Denemarken, Nederland, Portugal, Italië misschien, en Israël, onder leiding van de Verenigde Staten, is goed voor zo'n 470 miljoen rijke consumenten, en in politiek opzicht waarschijnlijk "hechter verenigd" dan een topzware Europese Unie met 27 of 30 landen, waaronder Turkije en Oekraïne. Zo'n Atlantische club is trouwens ook veiliger, democratischer, welvarender en technologisch geavanceerder. Wie zijn er nu precies provincialistisch en naar binnen gericht, zoals de pleitbezorgers van de Europese grondwet hun tegenstrevers telkens verwijten?
In een globaliserend bestel met een permanente revolutie in produktie- en handels- en communicatietechnieken, is volop ruimte voor alternatieve vormen van internationaal bestuur. Wanneer een beleggingsgroep in San Francisco Friese autobuslijnen kan opheffen, docenten in Bombay on line onderwijs verzorgen voor Amsteramse HBO-studenten, en de Schipholdirectie de luchthaven van Singapore wil runnen, lijkt ook het uur geslagen voor stoffige paneuropese projecten.
Nederlandse positie
Een derde lange-termijn tendens - verreweg de langste - is Nederland zelf. Wat staat ons nu te doen temidden van al die schuivende Europese en Atlantische panelen ? Voor een deel is dat wel duidelijk. Als juridisch kader voor samenwerking is de betekenis van de Europese Unie nog steeds evident. De Europese economie is naadloos verweven met de Nederlandse. De euro ligt misschien niet in onze harten besloten, maar is alom geaccepteerd. De uitbreiding van de Unie heeft zowel de stabiliteit van het oude continent verbetert, het gewicht van de Unie in de wereld vergroot, als voor Nederland nieuwe afzetmarkten geschapen. Bovendien beschermen Europese regels de Waddenzee en de Nederlandse taal misschien wel beter dan sommige Haagse instanties dat doen. Het zou in elk geval een treurig misverstand zijn om met de uitslag van het referendum ook de verworvenheden van de Europese integratie, en daartoe behoren ook de communautaire instellingen, over boord te kieperen.
Maar na vijftig jaar Europese integratie is het federale gezag in Brussel en Straatsburg nog steeds bedroevend zwak. De politieke invloed van de EU wordt vaak overschat. Het grootste deel van de Haagse wetgeving en besluitvorming is nog steeds behoorlijk nationaal. Gevoelens van Europese loyaliteit zijn ver te zoeken buiten de kleine kring van ambtenaren, diplomaten, en deskundigen die zich beroepshalve met Europa bezighoudt. De Unie tooit zich graag met de veren van een democratische rechtsstaat (Europees burgerschap, grondwet, parlement etc.) maar beschikt niet over de botten en de ruggengraat van zo'n systeem. Veel Nederlandse burgers hebben de grondwet niet afgestemd wegens de verdiensten van Europa, maar wegens zijn staatkundige pretenties. Zo trekt de EU zich aan eigen haren het moeras in.
In het prachtige Europa-debat van de afgelopen weken is gepleit voor een duidelijker afscheiding van Nederlandse en Europese bevoegdheden. Ook moet beter in kaart worden gebracht wat onze nationale belangen zijn. Geen gemakkelijke opgave. Want wat zijn in een bijkans grenzenloze wereld eigenlijk nog typisch Nederlandse belangen ? Die van het internationale bedrijfsleven dat op ons grondgebied de winsten opstrijkt voor aandeelhouders in Azië en Amerika? Of die van de Nederlandse universiteiten die steeds meer buitenlandse studenten willen aantrekken en het Engels als voertaal invoeren ? Of van tienduizenden asielzoekers zonder Nederlands paspoort die graag in Nederland willen wonen, en de Nederlandse taal juist wel willen spreken ? De Haagse diplomaten en ambtenaren die onder de kaasstolp van de Europese conventie de grondwet hebben uitgebroed, voelen zich waarschijnlijk sterker verwant met hun Duitse, Franse en Italiaanse collega's dan met de nee-stemmers in Urk en andere delen van het land. De uitslag van het referendum heeft hen er hopelijk van doordrongen dat zij voorlopig de Nederlandse staat nog niet moeten inruilen voor een Europese. Want die staat is nog lang niet af.
Er ligt dus al een blauwdruk voor de toekomstige Europese Unie. Een bont gezelschap, met wisselende kopgroepen, met een kwakkelende economie, en zonder veel politieke leiding, tenzij het Amerika als zodanig beschouwt. Maar ook met sterke staten zoals Frankrijk en Nederland. Het is eigen aan Europa om onvoltooid te blijven, schrijft De Villepin, Europa is "eeuwig onbevredigd", het is een "droom op reis".