Research

Articles

Europa gebaat bij sociaal-economische beleidsconcurrentie

15 Mar 2006 - 00:00
In het verdrag van Maastricht (1992) werd het subsidiariteitsbeginsel geïntroduceerd. De invoering van dit beginsel was bedoeld als rem op wat een aantal lidstaten als een onwenselijke uitbreiding van de macht van 'Brussel' beschouwde. Het houdt in dat besluitvorming zo dicht mogelijk bij de burger dient plaats te vinden. De Europese Unie dient alleen tot actie over te gaan wanneer de doelstellingen van zo'n actie niet of niet in voldoende mate kunnen worden bereikt door nationaal, regionaal of lokaal beleid van of binnen de lidstaten. Europees beleid dient dus een duidelijke toegevoegde waarde te hebben.

Het woord 'subsidiariteit' is wat uit de mode geraakt. Tegenwoordig wordt over het probleem gesproken in termen van beleidsconcurrentie versus beleidsharmonisatie. Tussen deze twee uitersten ligt beleidscoördinatie. De vraag is: welk beleid dient op nationaal niveau te worden gevoerd en welk beleid op Europees niveau?

In het algemeen zal beleidscoördinatie of -harmonisatie geboden zijn waar het gaat om het goed functioneren van de Europese interne markt. Reeds bij de uitvoering van het Marshall Plan (vanaf 1947) was Europese economische integratie een belangrijke doelstelling. Europa wilde hiermee het voorbeeld van de Amerikaanse economie volgen. De Amerikanen profiteerden van de schaalvoordelen van hun grote homogene markt met massaconsumptie en massaproductie alsmede de toepassing van moderne technologie. Door dit model over te nemen wilde Europa hetzelfde welvaartspeil bereiken als de VS. Europa is thans meer dan een halve eeuw bezig met marktintegratie. De EMU vormt met de invoering van de euro de (voorlopige) kroon op dat werk. In de tussentijd heeft Europa enorme vooruitgang weten te boeken, maar dat geldt ook voor de VS: de welvaartskloof tussen Europa en de VS is nog steeds niet gedicht. Bij het huidige verschil in groei tussen de EU en de VS neemt de kloof zelfs weer toe. De oorzaken hiervan zijn velerlei. Deels dient dit te worden toegeschreven aan de traagheid van het Europese marktintegratieproces, zoals dat zich tot dusver heeft voltrokken, deels ook aan het feit dat dit nog steeds niet is voltooid.

Er zijn dan ook nog beleidsterreinen waar verdere harmonisatie noodzakelijk is om nog beter te kunnen profiteren van de voordelen van de interne markt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de harmonisatie van vennootschapsbelastingsystemen (het gaat hier uitdrukkelijk om de systemen, niet om de tarieven). Een ander voorbeeld betreft de harmonisatie ter bevordering van de grensoverschrijdende arbeid door de mobiliteit var, de opgebouwde pensioen- en sociale zekerheidsrechten.

Maar moet er ook op Europees niveau worden geharmoniseerd op andere belangrijke beleidsterreinen, zoals het begrotingsbeleid, de belastingen en sociale lasten, alsmede de lonen en arbeidsvoorwaarden? Naar mijn mening niet. Op deze gebieden is beleidsconcurrentie wenselijk. Alhoewel het misschien tegen de intuïtie indruist, is beleidsconcurrentie in beginsel niet schadelijk, net zomin als concurrentie op de markten voor goederen en diensten schadelijk is, zoals de ervaring leert.

Waar, zou een geharmoniseerd begrotingsbeleid toe moeten dienen? Misschien de bevrediging van een nostalgisch verlangen naar een actief (Keynesiaans) conjunctuur beleid? Maar als er één les is die wij uit de economische ontwikkelingen van het laatst decennia hebben kunnen trekken, dan is het wel dat een goed structuurbeleid veel belangrijker is dan welk conjunctuurbeleid dan ook. Sterker nog: het conjunctuurbeleid heeft structurele hervorming vaak gefrustreerd en daarmee de economische malaise verdiept en verlengd. In het kader van de EMU-criteria is vastgelegd dat de lidstaten zo veel mogelijk naar een evenwichtige begroting dienen te streven. Dat lijkt mij voldoende.

Een harmonisatie van belastingtarieven en sociale lasten is evenmin wenselijk. Gegeven de wetmatigheden van internationale besluitvormingsprocessen bestaat er een reëel gevaar dat pogingen hiertoe tot opwaartse convergentie zullen leiden. Maar een verhoging van de belastingen zou slecht zijn voor de economie. Een meer fundamentele overweging is dat belastingen en sociale lasten betalingen zijn waar een heel pakket van publieke goederen en diensten tegenover staat, zoals infrastructuur, onderwijs en het niveau van sociale zekerheid. De samenstelling, omvang en kwaliteit van deze pakketten verschillen van land tot land en vormen het product van maatschappelijke preferenties zoals die in de loop der tijd op nationaal niveau in het politieke en maatschappelijke besluitvormingsproces naar voren zijn gekomen. Het lijkt mij onwenselijk om deze in een Europees keurslijf te persen.

Ten slotte: wat te denken van een Europese harmonisatie van lonen en arbeidsvoorwaarden?

In sommige vakbondskringen wordt wel gespeeld met gedachte, bijvoorbeeld op het van bedrijfstakken. En men zou kunnen stellen dat hiervoor thans op Europees niveau (een begin van) institutionele ruimte is geschapen door het besluit van de Europese top te Keulen (1999) tot de instelling van een macro-economische dialoog met de sociale partners.

Men kan de wens tot een dergelijke harmonisatie op welwillende en op minder welwillende wijze beoordelen. In het eerste geval valt het toe te juichen dat degenen uit landen met hogere lonen en betere sociale voorwaarden hun minderbedeelde branchecollega's in andere landen daarvan mee willen laten genieten. Bij een minder welwillende interpretatie zou men kunnen stellen dat een dergelijke harmonisatie het effectiefste middel is om concurrentie van minder productieve bedrijven in andere landen om zeep te helpen.

Niet doen dus.