Research
Geloofwaardige tegenpleiters kunnen slechts voor de Europese Grondwet stemmen
Allereerst de veronderstelde afname van invloed van Nederland. De tegenpleiters tamboereren er op dat als gevolg van dit verdrag de relatieve positie van ons land is afgenomen. Harry van Bommel (SP) weet hier tijdens een TV-debat zelfs een cijfer aan te geven: "van 4% naar 3%". Hierop valt nogal wat af te dingen. Zo is het misleidend om het Nederlands vermogen om binnen Europa invloed uit te oefenen alleen af te meten aan de Nederlandse bevolkingsomvang. Die omvang speelt ook nu al een rol van betekenis, maar niet op basis van welhaast mathematische overwegingen. Als internationale samenwerking verklaard zou kunnen worden op rekenkundige basis, dan zou de wereld er een stuk overzichtelijker uitzien. Zo simpel is het dus niet. Dossierkennis, bilaterale verhoudingen, lobbyen, politieke contacten, betrouwbaarheid en helderheid van standpunten zijn als het om invloed gaat, van groter belang.
Een ander punt van kritiek op deze voorstelling van zaken is van meer fundamentele aard. Het is niet zozeer de Grondwet die de relatieve positie van Nederland heeft doen afnemen, maar de uitbreiding van vijftien naar vijfentwintig lidstaten. Die uitbreiding betekent voor elke lidstaat -dus ook de grote landen- een relatief verlies aan positie, met als neveneffect dat, als bij voorgaande uitbreidingsrondes, door de groei van het ledental de verhoudingen tussen de lidstaten zijn verschoven. Niet in de laatste plaats in de verhouding groot - klein. Immers, de Unie breidt voornamelijk met kleine landen uit. In antwoord hierop zijn de lidstaten op zoek gegaan-ook al bij het verdrag van Nice- naar een nieuw evenwicht.
Dit evenwicht wordt door twee overwegingen gedefinieerd. De grote lidstaten willen bij besluitvorming niet het risico lopen overstemd te worden door het steeds grotere contingent aan kleinere landen. Daartegenover staat dat de kleine lidstaten onder geen beding met besluiten willen worden geconfronteerd die hen door de grote lidstaten worden opgelegd. In het gevonden compromis tussen deze voorwaarden schuilt nu de kracht van de grondwet. Voor het eerst sinds Maastricht zijn de lidstaten het eens geworden over een meer uitgebalanceerde machtsverhouding binnen een uitgebreide de Unie, die recht doet aan de positie van beide kampen. Essentieel daarbij is dat het ondoorzichtige systeem van stemweging dat in Nice werd ingevoerd, wordt afgeschaft. In Nice konden de grote landen als de winnaar van de onderhandelingen worden bestempeld. Zij haalden een groter stemgewicht binnen, waarbij vooral de winst van Spanje en Polen opviel. Saillant is dat juist de grondwet dit ombuigt naar een krachtiger positie voor de 19 kleinere lidstaten. Immers, alle landen -klein èn groot- leveren hun stemgewicht in. Ieder land heeft voortaan één stem! Dat geldt ook voor Duitsland, Frankrijk, etc.; grote landen die onder Nice 29 stempunten hebben (Nederland 13). Daarnaast telt de bevolkingsomvang ook als criterium voor besluitvorming, maar dat was ook al voor de grondwet het geval.
Kortom, de grondwet pakt gunstig uit de voor de kleinere landen. Immers, niet alleen heeft ieder land nu één stem. Belangrijker is nog dat een meerderheidsbesluit vereist dat 55% van de lidstaten, met een minimum van 15, moet instemmen met zo'n besluit. De 6 groten hebben dus altijd de kleine lidstaten nodig. Wel kunnen de groten met hun bevolkingsomvang hen onwelgevallige besluiten tegenhouden. Immers, zo'n meerderheidsbesluit moet minimaal 65% van de Europese bevolking representeren. Drie grote lidstaten kunnen die eis al belemmeren. Echter, zo'n blokkerende minderheid moet uit minimaal vier landen bestaan, waarmee ook voor de groten het tegenhouden ven besluiten geen gelopen race is.
Wat zeggen deze getallen dus: feitelijk dat de grote landen wellicht makkelijker besluitvorming kunnen blokkeren (meer inwoners), maar dat alleen met behulp van de kleine lidstaten meerderheidsbesluitvorming mogelijk is. Wat zij vooral zeggen is, dat de groten dus niet de macht gegrepen hebben. Sterker, het in Nice uit het lood geslagen evenwicht is hersteld ten gunste van de kleine landen.
En hier schuilt de ware ironie van het argument van de tegenstanders. Nederland zou de grondwet moeten afstemmen vanwege de winst van de grote landen. We zouden terug moeten naar Nice. In hun ijver vergeten zij dan, dat juist Nice het verdrag is van de grote landen. Overigens, zoals in Nederland de suggestie leeft dat het verliest aan de groten, bestaat binnen die grote landen zelf ook grote zorg over hùn verlies aan macht en invloed. Vanuit de grondwet bezien hebben zij het gelijk meer aan hun kant. Kortom, wie in Nederland zijn knopen telt stemt voor!