Research
Op-ed
On (in-)grijpbaar Darfur
Je moet wel een grenzeloze optimist zijn om te denken dat er binnenkort vrede is in Darfur. Maar ik moet het vredesoverleg, dat afgelopen weekend in Libië begon, niet bij voorbaat afkraken. Ik moet vol lof zijn over het niet-aflatende gereis van bemiddelaars en het sturen van een vredesmacht die aan de genocide een eind gaat maken. Ik moet vierkant achter de Nederlandse regering staan, die ervan droomt vredessoldaten naar Afrika te sturen en het continent eindelijk van zijn oorlogspandemie te verlossen.
Soms lijkt het probleem heel eenvoudig. VN-commandant Roméo Dallaire belde in 1994 vanuit Rwanda met de Verenigde Naties in New York en zei: ik heb sterke aanwijzingen dat zich hier binnenkort een drama gaat voltrekken. Geef mij toestemming om een handvol wapenopslagplaatsen op te blazen, dan kan ik dat drama voorkomen. De VN weigerde. Even later werden 800.000 Tutsi's vermoord. Een jaar later, juli 1995, wilde een Nederlandse commandant een paar straaljagers, want er dreigde iets vreselijks in Srebrenica te gebeuren. Die straaljagers mochten niet op tijd komen van 'de internationale gemeenschap' en het drama kon zich ongestoord voltrekken.
Een week geleden las ik dat de vredesmacht van de Afrikaanse Unie bijna klaar is om naar Darfur te trekken. Er zijn nog een paar problemen. Eén: die is misschien te laat, want het drama, een genocide van zeker 200.000 doden en 2,5 miljoen vluchtelingen, heeft zich al voltrokken. En er is nog een tweede probleempje: de vredesmacht zal niets kunnen uitrichten zonder helikopters. Er zijn er maar vierentwintig nodig, maar er is geen land te vinden dat er tot nu toe een heeft aangeboden. Ik concludeer dat er sinds de twee vorige genocides nog niets is veranderd.
Natuurlijk hangt de oplossing niet van een luchtbombardement of een handvol wentelwieken af.
Maar als simpele problemen al niet te verhelpen zijn, hoe lossen we de ingewikkelde dan op?
Vier jaar geleden zag het conflict er volgens analist Adam Wolfe nog eenvoudig uit. Twee rebellengroepen kwamen in opstand tegen de regering van Khartoem, omdat ze vonden dat die regering vooral aan zichzelf en niet aan de rest van het land dacht. Die regering, die al de handen vol had aan een oorlog tegen andere opstandelingen in het zuiden, zette de Janjaweed-milities, in om de rebellen te lijf te gaan. Zij ontketenden de genocide, die nu bijna voltooid lijkt. Destijds kon je misschien spreken van een min of meer oplosbaar conflict: er was een duidelijk geschil, er waren duidelijke partijen, er viel iets op te lossen. Je zou kunnen zeggen: het conflict was ingrijpbaar.
Nu zijn er niet twee opstandige groepen, maar volgens sommigen wel twintig. Andere landen hebben uit opportunisme of wellicht betere motieven hun favoriete krijgsgroepen gesteund, bestreden en gebruikt voor eigen doeleinden, waardoor het conflict geen grenzen meer kent. Sommige rebellenleiders zijn tot de regering toegetreden en leiden een prettig leven, andere zijn gewoon bandieten die van strijd en roof leven en de politieke wortels van het conflict vergeten zijn. Wie vredesonderhandelingen organiseert, zoals nu in Sirte, mag al blij zijn als de helft van alle betrokkenen komt opdagen, in de hoop dat er iets wordt overeengekomen dat als basis kan dienen voor de vredessoldaten van de Afrikaanse Unie.
De perverse logica van het overleg is dat de vechtende kluwen er eerst nog een schepje bovenop gooit om een plaatsje aan de onderhandelingstafel af te dwingen of om meer concessies af te dwingen. De regering in Khartoem vindt het best als de vredesmacht uitgebreid wordt, als ze zelf maar mag uitmaken wie er wel en niet aan deelnemen. Overleggen lijkt zelfs niet meer dan clausewitziaanse omkering, de voortzetting van oorlog met andere middelen.
Intussen zijn de schaarse vredessoldaten hun leven niet veilig, omdat alles wat ze doen of nalaten wel door een van de splinters als 'partijdigheid' kan worden uitgelegd. Eind september werd een basis van de Afrikaanse Unie in Haskanita bestormd, en werden tien vredessoldaten vermoord. Iedereen vecht met elkaar; in een heldere analyse in The New York Times concludeert Jeffrey Gettleman dat dit conflict een 'peacekeeper's nightmare' is. Niet te vergelijken met Kosovo, Oost-Timor of Cyprus. En dat is de trieste balans van Darfur. Je zou haast naar een conflict gaan verlangen, iets waarop de inmiddels vertrouwde concepten van ingrijpen, stabilisatiemachten en vredeshandhaven überhaupt van toepassing zijn.