Research

Articles

Groeiende rol voor actiegroepen in wereldeconomie

15 Mar 2006 - 00:00
Een van de meest opvallende aspecten van de WTO-conferentie die onlangs in Seattle plaatsvond, was het optreden van internationale actiegroepen, de zo genaamde non-gouvernementele organisaties (ngo's). Het zijn vaak wereldomspannende netwerken die zich opwerpen als verdedigers van maatschappelijke deelbelangen. In Seattle waren zo'n vijftigduizend demonstranten van 780 verschillende groeperingen aanwezig.

Hierbij heeft bijvoorbeeld de milieubeweging aangedrongen op een verscherping van de milieunormen voor internationaal verhandelde goederen en de vakbeweging op de aanvaarding van strengere arbeidsstandaarden (bijvoorbeeld ten aanzien van kinderarbeid), met sancties indien landen zich daar niet aan zouden houden.

Het aantal internationale ngo's is gedurende het laatste decennium explosief gegroeid: thans meer dan 26.000 tegen 6000 in 1990, volgens het Yearbook of lnternational Organisations. Hieronder bevinden zich vogels van zeer verschillende pluimage, zoals Amnesty International, Greenpeace, World Watch, de Worldwide Fund for Nature, Artsen zonder Grenzen en Oxfam.

Sommige van hen hebben een tripartite structuur. Dat wil zeggen dat zij bestaan uit vertegenwoordigers van nationale overheden, particuliere groeperingen en internationale organisaties, zoals de Wereldbank en de Wereldgezondheidsorganisatie. In het Engels worden deze ook wel aangeduid als 'global public policy networks'. Voorbeelden daarvan zijn de Consultative Group en International Agricultural Research, het Global Water Partnership, het Clean Air Initiative (in Latijns Amerika), de World Commission of Dams, en het Roll Back Malaria Initiative, geleid door de Wereldgezondheidsorganisatie. In de woorden van de president van de Wereldbank zijn zij 'coalitions for change'.

Deze netwerken kunnen een belangrijke functie vervullen bij het vergaren van informatie uit geografisch verspreide en cultureel sterk verschillende bronnen en bij het streven naar consensusvorming op verschillende beleidsterreinen. Bovendien kunnen zij de politieke invloed van de multilaterale instellingen versterken. Deze instellingen hebben meestal geen of weinig toegang tot de politiek van de lidstaten. Dat geldt niet voor de ngo's, waarmee nationale politici gewoonlijk wel degelijk rekening moeten houden.

De ngo's zijn tevens verdedigers van de belangen van mensen die normaal gesproken geen toegang hebben tot het besluitvormingsproces van de multilaterale instellingen. Daarmee vormen zij een instrument bij uitstek om het maatschappelijk middenveld, de 'civil' society, bij de besluitvorming en uitvoering van het beleid te betrekken. Vele ngo's zijn bovendien zelf actief in de ontwikkelingshulp. Als groep doen zij zelfs meer dan alle hulpverlenende organisaties van het hele VN-systeem tezamen.

Kennelijk zitten we in overgangsfase. Sommige multilaterale instellingen, zoals de Wereldbank zoeken actief contact met die organisaties. Maar andere multilaterale instellingen, zoals de WTO, zijn nog niet zo ver en staan er nog wat onwennig tegenover.

Dat internationale actiegroepen zich in toenemende mate op internationale actoren, zoals multilaterale instituten richten, past in de algemene globaliseringstendens, waarin de relatieve rol van de nationale staat aan betekenis lijkt in te boeten. Maar de ambities van vele NGO's gaan tegenwoordig verder dan uitsluitend de multilaterale instellingen. Zij zoeken ook in toenemende mate contact met multinationale ondernemingen. Het is vooral de milieubeweging die zich op dat gebied actief betoont. In plaats van contacten te leggen met de nationale overheden van de vele landen waar de multinationale ondernemingen actief zijn, spreken zij de betrokken bedrijven direct aan op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dit gebeurt bijvoorbeeld in energie, chemie en voedselsector.

Hierbij speelt het zogenaamde 'triple P concept' een belangrijke rol. 'Triple P' staat voor 'Planet, People and Profit'. Het is een soort keurmerk voor een bedrijfsvoering die niet alleen uit economisch maar ook uit sociale en milieu-overwegingen correct is. Daarbij blijkt dat bedrijven die ten aanzien van het milieu relatief goed scoren, dat ook doen ten aanzien van de andere P's en dus een interessant beleggingsobject kunnen vormen. De zogenaamde groene portefeuilles groeien in Europa met factor twee á drie per jaar. Aldus tracht de milieubeweging de toenemende kloof op te vullen tussen de afnemende rol van de nationale overheden en de ontoereikende bevoegdheid van multilaterale instellingen.

Toch blijft het verschijnsel actiegroep/ngo uit democratisch oogpunt problematisch. Vertegenwoordigers van deze groeperingen worden niet democratisch gekozen. Zij vertegenwoordigen deelbelangen; in het uiterste geval alleen zichzelf. Bovendien is niet elke actiegroep/ngo even respectabel en deskundig als bijvoorbeeld Amnesty International of zelfs Greenpeace. Zo heeft People's Global Action als lijfspreuk: 'The WTO kills people, Kill the WTO'. Vaak ook vertegenwoordigen zij tegenstrijdige deelbelangen. Het is nu juist de taak van de democratisch gekozen overheid om deelbelangen tegen elkaar af te wegen en daaruit het algemeen belang te destilleren.