Het IJzeren Gordijn, gevallen maar niet vergeten
Begin november wordt de val de Berlijnse Muur, vijfentwintig jaar geleden, herdacht. In het jaar dat het begrip Koude Oorlog weer op ieders lippen ligt, is dat méér dan een gebruikelijk ritueel, al was het maar omdat voortdurend de vergelijking tussen nu en die donkere periode tussen 1948 en 1989 wordt gemaakt. De agenda van Poetin zou niets minder dan herstel van het Sovjetimperium zijn, Russische onderzeeërs duiken weer ouderwets op bij Zweedse marinebases, en bejaarde Sovjetbommerwerpers vliegen weer aan de horizon.
In Duitsland is de gedachtenis van de Koude Oorlog nooit weggeweest. Altijd vaste kost op de Duitse tv, afgelopen maanden in ontroerende beelden van de eerste scheuren in het IJzeren Gordijn tussen Hongarije en Oostenrijk in de zomer van 1989.
De paradox is dat je de beklemming in de hoofdstad Berlijn, de plaats waar je die het meest zou verwachten, nog het minst ondergaat. Natuurlijk zijn Checkpoint Charly en de Brandenburger Tor trekpleisters, maar het zijn vooral toeristische en nauwelijks historische monumenten, en van de Muur zelf is amper nog een steen te vinden. Het Holocaustmonument was voorbestemd om duizend jaar mee te gaan, maar wordt na tien jaar al aangevreten door betonrot. Dat mag de pret niet drukken: honderdduizenden Nederlanders laten zich er jaarlijks fotograferen, soms zelfs dansend op een van de 2711 zuilen.
Het Holocaustmonument was voorbestemd om duizend jaar mee te gaan, maar wordt na tien jaar al aangevreten door betonrot
Wie de Koude Oorlog nog wil meemaken, kan beter naar het dorpje Hötensleben gaan, op de voormalige grens tussen de DDR en de BRD. In het kale, golvende landschap is daar nog het oude IJzeren Gordijn bewaard gehouden. Langs de echte Muur kan de wandelaar dwalen over de betonnen weg waarop Oost-Duitse grenswachten dag en nacht patrouilleerden. Daarnaast, gemarkeerd door landmijnen en Kraftfahrzeug-Sperrgraben die een ramkraak van de grens met zware voertuigen moesten voorkomen, ligt tussen de uitkijktorens nog de K6-Kontrollstreife, een zes meter brede aarden strook die zo was geprepareerd dat voetsporen van vluchtelingen die de nachtelijke oversteek naar het Westen waagden, direct herkend konden worden. Vanaf 1970 lagen daar dan ook nog zestigduizend Splittermine 70 (SM-70) ingegraven, die de ongelukkige vluchteling met tientallen metaalscherven doodden of een Blutungsschock bezorgden.
Vanuit de huizen aan de rand van Hötensleben, waar langs de achtertuinen nog een tweede muur was gebouwd omdat de Sperrzone naar het West-Duitse tweelingdorp Schöningen wel erg smal was, was dit schouwspel dag en nacht te zien. En nog steeds. De zelfgemaakte ladders die bewoners beklommen om een angstige blik op de vrijheid te wagen, staan er nog.
Even noordelijker ligt Helmstedt, ooit de sluis waar auto’s en treinen van en naar West-Berlijn zich doorheen persten. Helmstedt, metafoor van naoorlogse spanning en ventiel van de ijzige vrede tussen Oost en West die het ieder ogenblik kon begeven. Weinig herinnert daar nog aan, behalve het Zonengrenz-Museum, dat op een koude zaterdagmiddag nog open blijkt te zijn en ons als enige gasten ontvangt. De enige suppoost, annex directeur en kaartjesverkoper, annex verkoper van herinneringen, is zelf vluchteling geweest. De Koude Oorlog is daar niet terug maar nooit weggeweest, en wordt er angstvallig in ere gehouden.