Research

Europe and the EU

Op-ed

Het o-virus grijpt om zich heen, oorlogsretoriek is niet langer taboe

18 May 2016 - 15:01
Bron: Bas van der Schot / Vrij Nederland

Populisme, vluchtelingen, terreuraanslagen, Poetin: of het nu om argumentenmoeheid of reëel gevaar gaat, de oorlogsdreigementen vliegen ons om de oren.

Het o-woord. Ik denk dat David Cameron iets te vroeg heeft gepiekt met zijn dreigement dat een Brexit wel eens tot oorlog in Europa kan leiden. In zijn poging de Britse kiezer bang te maken voor een Brexit haalde hij de Balkanoorlogen uit de jaren negentig en de slachtpartij van Srebrenica erbij. De EU zorgt voor vrede op het Europese continent en kan het Britse leiderschap niet missen, luidde zijn redenering op 9 mei. Onzin, was het droge antwoord van de Brexiteers, voor de veiligheid hebben we de NAVO, de EU is er voor de visquota. Maar het woord oorlog was gevallen en dat begint onderhand wel op te vallen. Het o-virus grijpt om zich heen. Of het nu om argumentenmoeheid, wanhoop of een reëel gevaar gaat, in alle gevallen moeten we ons zorgen maken. Populisme, vluchtelingen, terreuraanslagen, Poetin, o is niet langer taboe.
 
Toen Jean-Claude Juncker in maart 2013 nog gewoon premier van Luxemburg was, dus nog geen voorzitter van de Europese Commissie, waarschuwde hij al dat de oorlogsdemonen niet uit Europa verdwenen waren. Geschrokken van de verkiezingscampagnes in Griekenland en Italië liet hij in Der Spiegel optekenen: ‘Ik vind het frappant hoezeer de verhoudingen in 2013 lijken op die 100 jaar geleden. Daar kwamen ressentimenten naar boven waarvan men dacht dat zij definitief verleden tijd waren.’
 
Begin 2015 zei Carl Bildt, oud-minister van Buitenlandse Zaken van Zweden, dat hij een grote oorlog tussen Rusland en Europa heel denkbaar begon te vinden.
 
In september 2015 gebruikte de Hongaarse premier Viktor Orbán het oorlogsbeeld door te schetsen hoe de migranten Europa te gronde zouden richten. ‘De Europese leiders leven tegenwoordig in een droomwereld. Ze hebben geen idee van het daadwerkelijke gevaar dat de migranten voor ons betekenen. De potentiële toestroom is eindeloos: uit Pakistan, Bangladesh, Mali, Ethiopië, Nigeria. Als we die allemaal hier toelaten, gaat Europa ten onder.’ Hoe en waarom, dat had hij vijf maanden eerder al aan de stokoude ex-bondskanselier Helmuth Kohl uitgelegd (hij had expres wir schaffen das-Angela Merkel links laten liggen): ‘Als we de vrede en de vrijheid in Europa willen bewaren, is er geen alternatief Europa.’ En het middel daarvoor was trouwens zijn eigen oorlog, de ‘war against Brussels’.
 
Het o-virus zou Merkel zelf ook raken. Eind oktober vorig jaar zette ze in Darmstadt chaos en oorlogsdreiging in tegen critici van haar – toen nog liberale – immigratiebeleid. ‘We maken iets mee wat we nog niet eerder meemaakten, dat conflicten die ver weg schenen nu plotseling op de drempel liggen. Ik wil niet dat daar militaire conflicten nodig zijn.’ ‘Daar’ was de Balkan, waar twintig jaar geleden ook oorlog ‘nodig’ was om problemen te lijf te gaan. Foei, vonden haar critici, want Merkel misbruikte de oorlog om een binnenlandspolitiek gevecht te winnen (de CSU mocht niet te sterk worden, de AfD was nog achter de horizon – hoe snel kan het gaan).
 
Vlak na de aanslagen in Parijs was het de beurt aan president François Hollande. In een toespraak tot het Franse parlement in Versailles verklaarde hij Frankrijk in oorlog met IS. En hij verlangde krijgssolidariteit van de medeleden van de Europese Unie door het nog nooit gebruikte artikel 42-7 uit het Verdrag van Lissabon in te zetten: onze oorlog is ook die van jullie. Ook Mark Rutte had het even over oorlog, maar hij schrok van de deining die dat veroorzaakte.
 
En dan hebben we het nog niet eens over Poetin zelf, die de Navo ervan beschuldigt een oorlog in de Kaukasus te willen ontketenen en straks, begin juli, bij de NAVO-top in Warschau ongetwijfeld weer van leer zal trekken. Schermen met oorlog is voortzetting van diplomatie, maar daarna zijn de argumenten uitgeput.