Op 23 mei jl. verklaarde de Britse Premier Cameron in het Lagerhuis dat Groot-Brittannië de zogenaamde Hirst uitspraak naast zich neer zal leggen. In deze zaak achtte het EHRM het algehele Britse verbod op stemmen door gedetineerden in strijd met het EVRM. Het Verenigd Koninkrijk vindt dat het Hof ten onrechte een kiesrecht van gedetineerden in het verdrag leest en zich daardoor bemoeit met interne aangelegenheden. De overgrote meerderheid in het Lagerhuis had de zaak al eerder op scherp gezet door een motie aan te nemen waarin het uitvoeren van de uitspraak werd afgewezen.
De verklaring van Cameron was groot nieuws in het Verenigd Koninkrijk, maar in mensenrechtenland bleef het opvallend stil. Dat is opmerkelijk omdat toenmalig President van het Hof Costa al eens had beweerd dat als de Britten niet tot naleving zouden overgaan ze de dubieuze eer hadden tot dezelfde categorie te behoren als de Griekse Kolonels. Die lapten Straatsburgse uitspraken immers ook aan hun laars.
Cameron behoort tot een als maar groeiende groep critici van het Hof die vinden dat het niet de goede kant opgaat. Dat koor bestaat uit nationale rechters, voormalige leden van het Hof, academici en politici. Ik behoor ook tot dat gezelschap omdat het Hof zich naar mijn mening niet altijd houdt aan de eisen die men aan een rechterlijke instantie mag stellen. De 'rechten van de mens' in de naam krijgen soms zoveel nadruk, dat uit het oog verloren wordt dat men die als 'Hof' moet toepassen.
Zo houdt het Hof zich niet goed aan zijn eigen precedenten. In de M.S.S. zaak werd België op de vingers getikt omdat het een asielzoeker had teruggestuurd naar Griekenland. Maar zes maanden daarvoor had het Hof in K.R.S. t. VK nog uitgesproken dat dat geen probleem opleverde. De leden van het Hof geven zelf toe dat ze het spoor soms bijster zijn ten aanzien van hun eigen jurisprudentie. Daarom hebben ze nu een griffiemedewerker, de jurisconsult, gevraagd om de consistentie te bewaken, maar de jurisprudentie moet natuurlijk tussen de oren van de rechters zitten.
Daarnaast laat de bewijsvergaring, met name in asielzaken, te wensen over. In de M.S.S. zaak slaagde de klager er niet in om aan te tonen dat hij in een Grieks asielzoekerscentrum slecht behandeld was. Het Hof gaf te kennen dat uit rapporten van Amnesty International blijkt dat asielzoekers in Griekenland vaak niet goed worden behandeld en nam aan dat dit ook in deze zaak het geval zal zijn. Maar bewijsvergaring kun je als rechter niet zomaar outsourcen aan niet-rechterlijke organisaties die niet gebonden zijn aan de regels van bewijsrecht. Bovendien zijn algemene rapporten niet geschikt om claims in individuele zaken te onderbouwen, zoals het Hof zelf heeft aangegeven in Mamatkulov en Askarov t. Turkije.
Tenslotte biedt de standaard die het Hof gebruikt bij de interpretatie van het EVRM - de consensusmethode - geen houvast. Kort gezegd komt deze erop neer dat er sprake is van een schending als het gedrag van de verweervoerende staat afwijkt van dat van een grote meerderheid van de partijstaten. Zo werd Turkije in Ünal Tekeli t. Turkije door het Hof veroordeeld wegens een schending van het recht op privéleven, omdat het gehuwde vrouwen niet toestaat om de meisjesnaam te blijven voeren. In alle andere partijstaten is dat wel mogelijk.
Het VK liet lange tijd niet toe dat personen die geslachtsverandering hebben ondergaan zich onder hun nieuwe geslacht in de burgerlijke stand registreren. Die weigering werd enkele malen bij het Hof aangevochten, maar het VK ontsprong de dans omdat op dit punt een Europese consensus ontbrak. In de Christine Goodwin zaak in 2002 werd het VK echter uiteindelijk wel veroordeeld omdat de weigering in strijd was met de consensus. Maar bij gebrek aan een Europese consensus beriep het Hof zich plotseling op een 'internationale consensus', gebaseerd op de praktijk in Australië en Nieuw-Zeeland. Waarom de situatie in twee landen buiten Europa bepalend zou moeten zijn voor de uitleg van het EVRM, vertelt het Hof er niet bij.
In A,B,C t. Ierland kwam het Hof tot de conclusie dat abortus in de overgrote meerderheid van de partijstaten weliswaar vrij is, maar het Ierse verbod levert toch geen schending van het EVRM op. Dat komt volgens het Hof omdat er geen consensus is over het begin van het menselijk leven. Maar dat staat kennelijk niet in de weg aan consensus op wetgevingsgebied. Met deze uitleg houdt het Hof het brisante abortusvraagstuk weliswaar behendig buiten de deur, maar wel op een manier die de consensusmethode ondermijnt.
Als gevolg van deze verschuivende doelpalen dijt het aantal rechten alleen maar uit. Zo las het Hof in de M.S.S in de Conventie een plicht tot het voorzien in het levensonderhoud van asielzoekers, hoewel het tot nu toe het bestaan van zo'n recht had ontkend.
Wil het Hof zijn zeer belangrijke werk ook in de toekomst voortzetten, dan is het belangrijk dat het zich meer als een rechter gaat opstellen. Anders zal de weigering van Premier Cameron helaas geen incident blijven.
Tom Zwart is Hoogleraar Rechten van de Mens aan de Universiteit Utrecht
Voor meer informatie over het Hof voor de Rechten van de Mens, klik hier>>