Research

Articles

Hightech-krijgsmacht kan Afghanistan aan

06 Jan 2006 - 07:49
Een militaire missie naar zuidelijk Afghanistan is gevaarlijk. Maar niet gaan bevestigt een tendens van politiek provincialisme, zegt Rob de Wijk.Eind vorig jaar zette D66 de besluitvorming over de Nederlandse bijdrage aan de NAVO-operatie in het zuiden van Afghanistan op scherp. Nadat de fractie op het ministerie van Defensie een briefing over de missie had gekregen, stapte fractievoorzitter Boris Dittrich onmiddellijk naar de pers. Hij zag geen brood in de uitzending van Nederlandse militairen. Te gevaarlijk en te weinig haalbare resultaten.

Als Dittrichs briefing in lijn was met de brief die de regering op 22 december aan het parlement schreef, dan valt de reactie van D66 te begrijpen.

De brief is opmerkelijk eerlijk en doorwrocht. De regering somt tal van redenen op om juist niet naar het zuiden van Afghanistan te gaan. De veiligheidssituatie wordt ronduit als slecht omschreven. In het gebied zijn, naast de Hezb-i-Islami Gulbaddin, restanten Al Qa'ida en Taliban actief en er dreigen conflicten tussen etnische groepen.

Bovendien is de veiligheidssituatie de afgelopen tijd verslechterd. Milities voeren hun aanvallen op tegen de troepen van Enduring Freedom, die Taliban en Al Qa'ida onschadelijk moeten maken. Ook vallen ze vertegenwoordigers van internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties aan, die in het gebied nauwelijks meer actief zijn.

Het bestuur van de provincie Uruzgan stelt weinig voor en corruptie, drugshandel en andere vormen van criminaliteit tieren welig. Nog ernstiger is dat Enduring Freedom, lees de Amerikanen, in de ogen van de lokale bevolking meer fout dan goed heeft gedaan. Door hun harde, in feite onverantwoordelijke optreden, hebben zij elke sympathie verspeeld en zijn ze in de ogen van de lokale bevolking niet meer dan een bezettingsmacht. Als brengers van vrijheid en democratie, de favoriete missie van president Bush, worden ze in ieder geval niet gezien.

Het getuigt van veel realisme dat de regering concludeert dat niet gerekend mag worden op veel vooruitgang in de twee jaar die Nederland in het gebied actief zal zijn. Ik voeg daaraan toe dat vooruitgang in de praktijk bijna uitgesloten is met een Provinciaal Reconstructie Team (PRT) op twee locaties in het zuiden (Tarin Kowt en Deh Rawod) van een provincie die driekwart van het oppervlak van Nederland beslaat.

In totaal zullen er 1200 militairen in Afghanistan zijn, waarvan 250 ter ondersteuning in Kandahar, maar in Uruzgan aangevuld met 200 Australiërs, als die zich althans over hun ergernis over de trage Nederlandse besluitvorming kunnen zetten. Het grootste deel van de troepensterkte is ter bescherming van een klein team voor bestuurlijke, sociale en economische opbouw.

Waarom moet Nederland dan toch meedoen? Volgens de regering omdat het PRT-model in het noorden en westen redelijk succesvol is gebleken, het politieke proces dat in Afghanistan op gang lijkt te zijn gekomen met behoorlijk verlopen presidents- en parlementsverkiezingen niet mag worden afgebroken en Taliban enAl Qa'ida zich in het zuiden en oosten niet verder mogen versterken. De vraag waarom juist Nederland hieraan moet blijven bijdragen, beantwoordt de regering niet. De reden is dat slechts weinig landen deze klus kunnen klaren. Als een van de weinige landen beschikt Nederland over een goed geoefende hightech-krijgsmacht, waarmee het dit soort stabilisatie-operaties - een complexe mix van economische en sociale opbouw, vredesbewaring en gevechtsoperaties - onder uiteenlopende omstandigheden kan uitvoeren.

Ook beschikken de Nederlandse militairen over de mind set voor een dergelijke missie. Het winnen van de hearts and minds van de lokale bevolking gaat de Nederlanders goed af. In tegenstelling tot de Amerikanen zijn ze terughoudend met geweld, stellen ze zich open op, maar laten ze toch niet over zich lopen. De combinatie van de juiste instelling en voldoende militair vermogen, maakt dat de kans dat het uit de hand loopt minder groot is, zo leert de ervaring. Als stabilisatiemacht heeft Nederland een reputatie opgebouwd.

Mogelijk nog belangrijker is dat deze missie in de lijn past die Henk Kamp, minister van Defensie, heeft uitgezet: deelname aan meer risicovolle missies, zonodig in het hogere deel van het geweldsspectrum. Feitelijk is Kamp bezig een scheef gegroeide situatie recht te zetten.

Nederland heeft een professionele en geavanceerde krijgsmacht voor gevechtstaken, die in de praktijk vooral voor vredesmissies is ingezet. En als er een keer geweld moest worden gebruikt, dan werd de luchtmacht ingezet, waardoor de risico's voor onze militairen beperkt bleven. De aanschaf van kruisvluchtwapens voor fregatten en de huidige inzet van Nederlandse commando's in Kandahar passen in hetzelfde patroon: meedoen met het serieuze werk.

Dit maakt het besluit over de deelname aan de stabilisatiemacht in het zuiden, die nu feitelijk in handen van het parlement is gelegd, zo betekenisvol.

'Nee' betekent dat Nederland de beschikking houdt over een voor vredesoperaties over-gedimensioneerde krijgsmacht.

'Nee' levert grote internationale politieke schade op. Er zijn internationaal verwachtingen gewekt toen de regering de haalbaarheid van de missie ging onderzoeken. Die is meer dan een half jaar voorbereid en er zijn talloze garanties van de NAVO, van bondgenoten en van de Afghaanse regering voor ondersteuning van het militaire en politieke deel van de missie.

'Nee' bevestigt het provinciaalse karakter dat zich van de politiek in Nederland meester heeft gemaakt.

'Ja' betekent dat de krijgsmacht wordt ingezet voor missies die bij de statuur van Nederland passen. Het is een poging van het typische Nederlandse calimerocomplex af te komen. Wij zijn geen klein land, maar een middelgrote, rijke, geïndustrialiseerde natie in broekzakformaat met mondiale verantwoordelijkheden en belangen. Daarbij past een krijgsmacht die voor risicovolle operaties wordt ingezet.

Dit alles maakt van het besluit een politiek besluit bij uitstek. Het politieke gewin van deelname schuilt niet in het boeken van succes in Afghanistan, hooguit in het leggen van een basis waarop volgende troepenleveranciers kunnen voortbouwen. Het politieke gewin zit vooral in de nieuwe fase die de buitenlandse politiek en daarmee de Nederlandse krijgsmacht ingaat.