Research
Articles
Internationale gemeenschap moet oorlog in Congo voorkomen
De moord op radiojournalist Serge Maheshe in Bukavu vorige maand en het feit dat op dit moment ruim 160 duizend mensen in Oost-Congo weer op de vlucht zijn voor het geweld, laten zien dat de spanningen in Congo toenemen.
Wat is er dan aan de hand? Ondanks de verkiezingen van 2006 blijven de oostelijke Kivu-provincies de knoop van heel wat onopgeloste problemen. Zo leven in beide provincies Rwandees sprekende Congolezen, zowel Hutu's als Tutsi's, die door velen nog steeds niet als 'echte' Congolezen worden beschouwd. Niet toevallig brak hier tot twee maal toe een rebellie uit, in 1996 en in 1998. De eerste rebellie bracht Laurent Kabila aan de macht in Kinshasa, ten koste van de oude Mobutu.
Mobutu had voor een tweedeling in het land gezorgd, en voor een langdurig conflict in het oosten van Congo. Dit maakte Congo toen tot het grootste crisisgebied in de wereld: met als gevolg vier miljoen doden, miljoenen ontheemden en grote tekorten aan voedsel en medicijnen.
Tijdens de afgelopen verkiezingen stemde de bevolking in de Kivu's massaal op Joseph Kabila, de zoon van Laurent, in de hoop dat hij ervoor zou zorgen dat er vrede en rust zou komen. Maar een jaar na de eerste ronde van de verkiezingen is de veiligheidssituatie in de Kivu-provincies slecht, en de kans op een hernieuwde oorlog reëel. Het gebied wordt nog steeds onveilig gemaakt door gewapende groeperingen.
Het eerste en grootste gevaar voor de bevolking gaat echter uit van het Congolese regeringsleger zelf, dat slecht wordt betaald en vergeven is van corruptie. Ten tweede zijn er de Hutu-rebellen van het FDLR, die na de genocide van 1994 buurland Rwanda zijn ontvlucht en sindsdien hun strijd tegen het Rwandese regime vanuit Congo met grondstoffenhandel financieren. Een derde groep zijn de troepen rond de Congolese Tutsi-generaal Laurent Nkunda die het voor de Rwandees-sprekende Congolezen zegt op te nemen.
Sinds dit jaar opereren Nkunda's troepen onder de vlag van het regeringsleger. Dat wil Nkunda's troepen inzetten tegen de Hutu-rebellen van het FDLR. Feitelijk is de integratie van Nkunda's troepen in het regeringsleger mislukt en breidt Nkunda's mini-staatje in Noord-Kivu zich steeds verder uit. De VN-blauwhelmen weten intussen niet meer waar ze aan toe zijn: samenwerken met de gezochte Nkunda is uit den boze, maar iets tegen hem ondernemen nu zijn troepen een regeringspet dragen, lijkt ook geen optie.
De regering in Kinshasa lijkt niet in staat tot politieke oplossingen te komen. Er zijn ook indicaties dat het regime de autoritaire toer opgaat, de onveiligheid in het land duurt voort en Kabila's achterban in het oosten kalft af. Op zijn zachtst gesteld is dit alles een explosieve cocktail, zeker omdat de recente geschiedenis heeft aangetoond dat een oorlog in de Kivu-provincies gemakkelijk kan overslaan naar de rest van het land.
Is een escalatie van het conflict nog te vermijden? Jazeker. Een begin van oplossing ligt in de aanvaarding door de verschillende spelers in de regio van een politieke aanpak in combinatie met diplomatieke én militaire druk.
De EU zou bijvoorbeeld nieuwe contacten kunnen leggen tussen het FDLR en Rwanda om de repatriëring van ex-rebellen te bevorderen. Een vestigingsalternatief binnen Congo voor ex-FDLR-strijders met Congolese families zou daarbij ook een optie kunnen zijn.
Wat het regeringsleger betreft: daar moet dringend werk worden gemaakt van de voorgenomen hervormingen. Het is intussen duidelijk dat het bij elkaar voegen van voormalige regeringssoldaten en rebellen onvoldoende is om een professioneel leger te vormen. De troepen hebben behoefte aan degelijke opleiding, soldij, uitrusting en bevelvoering. Een geslaagde legerhervorming hangt daarmee af van zowel goede wil aan Congolese zijde als van langdurige professionele begeleiding uit het buitenland. Het EU-programma voor die hervorming verdient daarom alle steun. Zolang de legerhervorming niet is doorgevoerd, blijft het ongedisciplineerde regeringsleger eerder een bedreiging voor de burgerbevolking dan een bijdrage tot de stabilisatie van het land.
Ten slotte is er het geval van de Tutsi-generaal Nkunda. Net als de FDLR-kopstukken en vele andere commandanten van gewapende groepen, heeft Nkunda wellicht oorlogsmisdaden op zijn geweten. Een waarheids- en verzoeningscommissie, zoals na de apartheid in Zuid-Afrika, kan hier een uitkomst bieden.
Al deze oplossingen vergen geduld, moed en behendigheid. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt natuurlijk voor een belangrijk deel bij de politieke en maatschappelijke actoren in Congo zelf. Maar ook de internationale gemeenschap moet ingrijpen. De EU kan en moet hierin een leidende rol spelen. Zonder ingrijpen van de internationale gemeenschap zou het alternatief wel eens een nieuwe oorlog in Congo kunnen zijn.