Research

Articles

Irak is uitzondering op regel - Vredesoperaties zijn soms strijdig met internationaal recht

10 Jun 2005 - 16:49
Nederlandse deelname aan vredesoperaties voldoet niet altijd aan de criteria. De regering vindt dat geen bezwaar, menen Jaïr van der Lijn en Ann Pauwels.Dezer dagen zal de regering een besluit nemen over de verlenging van de militaire aanwezigheid in Irak. De regering heeft al duidelijk gemaakt dat, bij de besluitvorming over de deelname aan militaire operaties in het buitenland, steeds een afweging wordt gemaakt, aan de hand van de specifieke situatie in het concrete geval, met inachtneming van het Toetsingskader.

Vandaag zal evenwel een debat plaatsvinden naar aanleiding van de onlangs door de regering opgestelde beleidsnota over de uitgangspunten voor deelname van militaire eenheden aan internationale crisisbeheersingsoperaties. De nota biedt niet alleen de mogelijkheid om een fundamenteel debat te voeren, maar ook om het besluit over de verlenging van de aanwezigheid in Irak in een breder perspectief te plaatsen. De nota roept vijf bedenkingen op.

Het vermoeden rijst dat de regering bereid is om ook zonder mandaat van de Veiligheidsraad deel te nemen aan crisisbeheersingsoperaties. Immers, de nota besteedt nauwelijks aandacht aan het internationaal rechtelijk kader voor de deelname van Nederlanders. Een expliciete verwijzing naar het internationaal recht blijft achterwege, laat staan dat er sprake is van een toetsing van het beleid aan het internationaalrecht. In de beleidsnota wordt enkel gesteld dat de Nederlandse inspanningen op het vlak van crisisbeheersingsoperaties steeds plaatsvinden in internationaal verband en dat dit bij voorkeur gebeurt op basis van een mandaat van de V-raad.

Nochtans is dit in strijd met de geest van artikel 90 van de Grondwet volgens welke de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert, alsmede met artikel 97(1) waarin wordt gesteld dat ten behoeve van de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde, er een krijgsmacht is. Een eerste vereiste om de internationale rechtsorde te handhaven en te bevorderen, is uiteraard dat de regering een beleid voert dat in overeenstemming is met het internationaal recht. Zoniet, dan verliest zij niet alleen haar geloofwaardigheid en handelt zij zelfs in strijd met de geest van de Grondwet.

Hoewel de regering volgens de nota streeft naar een gei¨ntegreerd buitenlands-en veiligheidsbeleid en bijgevolg deelname aan militaire operaties wil koppelen aan ontwikkelingssamenwerking, lijkt de praktijk dit niet te bevestigen. Niettegenstaande dat twee van de vier aandachtsregio's van ontwikkelingssamenwerking in Afrika liggen, de Hoorn van Afrika en het Grote Merengebied, blijft de militaire ondersteuning en koppeling daar grotendeels achterwege.

De aanwezigheid van een verbindingsofficier in Parijs voor de EU-operatie Artemis in Congo en de inschakeling van deHMS Rotterdam bij de VN-operatie in Liberia, getuigen niet van een gei¨ntegreerde aanpak. De deelname aan de VN-operatie in Ethiopie-Eritrea is al weer een tijd geleden.

De regering beschouwt de VN niet langer als de belangrijkste internationale organisatie voor de uitvoering van crisisbeheersingsoperaties en vertrouwt deze bij voorkeur toe aan de NAVO of de EU. Dat mag enigszins bevreemden als in ogenschouw wordt genomen dat de VN nog altijd de meest legitieme organisatie is voor dit soort operaties. Ook is het voor de regering blijkbaar geen bezwaar dat in concreto de stabiliteit en ontwikkeling van het Afrikaanse continent - om het eufemistisch uit te drukken - niet tot de beleidsprioriteiten van de NAVO behoren. Het argument in de nota om deze keuze te verantwoorden, namelijk dat Nederland in de NAVO en de EU meer invloed kan uitoefenen op de besluitvorming dan in de VN waar het slechts een van de 191 lidstaten is, kan niet echt overtuigen. Immers ook in VN-kader werden tal van initiatieven genomen om deelnemende staten aan VN-vredesoperaties nauwer bij de besluitvorming te betrekken.

Hoewel in nota wordt gesteld dat meer aandacht en inspanningen moeten gaan naar operaties in EU-verband, is tot dusver dit engagement niet hard gemaakt door Nederland en blijven twijfels bestaan over de politieke bereidheid. Bovendien zou ook een verder uitgebouwd Europees Buitenlands-en Veiligheidsbeleid mogelijkheden bieden om meer betrokken te worden bij en invloed te hebben op de besluitvorming in de V-raad. Een substantiele bijdrage aan de in de steigers staande EUoperatie voor Soedan, zou ons bovengemeldwantrouwen goeddeels kunnen wegnemen.

De voorkeur van de regering voor operaties hoog in het geweldspectrum lijkt met name een keuze te zijn voor deelname aan de operaties die door de VS in gang worden gezet en meer weg hebben van de oorlogen door Washington dan van crisisbeheersingsoperaties. Irak en Afghanistan voldoen niet bepaald aan het in de nota opgeroepen beeld als zouden Nederlandse troepen naar crisissituaties worden uitgezonden al waar zij onder het mom van first-in-first-out snel de orde herstellen en dan verder trekken naar een ander hulpbehoevend gebied. Bovendien was de regering er tot nu toe alles aan gelegen om bij operaties hoger in het geweldspectrum de veiligste gebieden te kiezen.

De recente uiteenzetting van het Nederlandse beleid aangaande vredesoperaties heeft helaas weinig nieuws gebracht. De beleidsnotitie was vooral een herhaling van het al bestaande toetsingskader, weliswaar aangevuld met enige rechtvaardigingen voor het gevoerde beleid van de afgelopen jaren, met name ten aanzien van Afghanistan en Irak. Bij ieder nagestreefd doel geeft de regering direct aan dat er altijd uitzonderingen zijn op het beleid. Dit biedt weinig duidelijkheid en in combinatie met de kanttekeningen die bij de notitie te plaatsen zijn, belooft het weinig goeds voor de debatten over de uitgangspunten inzake vredesoperaties en het besluit tot verlenging van de Nederlandse deelname aan de operatie in Irak.