Research
Articles
Islam maakt Turkije niet minder Europees
De ministers Remkes (VVD) en Veerman (CDA) hebben principiële bezwaren tegen een Turks lidmaatschap van de EU. Door zijn andere cultuur en godsdienst past het land volgens hen niet binnen de EU. Dit vraagstuk lijkt urgent, aangezien Nederland als voorzitter van de EU eind dit jaar uitsluitsel moet geven of de onderhandelingen met Turkije over toetreding geopend worden. De vraag is echter niet zozeer óf Turkije op termijn zal toetreden, maar wanneer en onder welke
voorwaarden.
Eerdere uitbreidingen hebben plaatsgevonden op basis van eerder overeengekomen verdragsteksten. In de Verdragen van Rome, waaruit de EEG is voortgekomen, stond niet veel meer dan dat 'ieder land dat een Europese identiteit bezit kan toetreden'. Deze brede formulering heeft de verschillende uitbreidingsgolven in de twintigste eeuw niet belemmerd.
Immers, de geopolitieke grenzen van Europa zijn in de loop van de geschiedenis nogal eens verschoven. Behoorden Griekenland, Zweden of het Verenigd Koninkrijk onder Karel de Grote, Napoleon of het Romeinse Rijk nu wel of niet tot Europa?
Deze lidstaten werden ten tijde van hun toetreding afdoende Europees geacht. Na de val van de muur, toen de Midden- en Oost-Europese landen stonden te trappelen om toe te treden tot de EU, kreeg het begrip 'Europees' wederom een andere invulling. Aanvullende, objectief toetsbare criteria werden noodzakelijk geacht. Deze criteria stellen voorwaarden op politiek gebied (het toetredende
land heeft een functionerende democratie, de rechten van de minderheden zijn gewaarborgd en er bestaat geen doodstraf), economisch gebied (de nationale economie kan de concurrentiekracht van de Europese binnenmarkt aan) en op het gebied van Europese wet- en regelgeving (overname én implementatie van alle afspraken en besluiten die in de EU tot stand zijn gekomen).
Op basis van deze criteria treden per 1 mei aanstaande tien nieuwe lidstaten toe tot de Unie en zullen Roemenië, Bulgarije en wellicht Kroatië volgen. Ook Turkije werd al tijdens de Top van Helsinki in 1999 toetreding voorgeschoteld, indien voldaan zou worden aan 'Kopenhagen'. De Kopenhagen-criterea dienen dan ook de maatstaf te zijn bij de vraag wanneer en hoe Turkije kan toetreden.
De toetreding van Turkije is, ter geruststelling van de bewindslieden Remkes en Veerman, op korte en middellange termijn niet realistisch, aangezien het land op velerlei terrein nog een omvangrijke inhaalslag dient te maken. Toch is ook het onderhouden van goede verhoudingen met een strategisch belangrijke bondgenoot niet onbelangrijk, zeker gezien de huidige internationale verhoudingen.
De meest in het oog springende problemen zijn politiek van aard: de nog steeds precaire mensenrechtensituatie van de Koerdische minderheid, de kwestie Cyprus en de nog steeds grote invloed van het militaire apparaat op de politiek. Economisch gezien ligt het Turkse BNP ten opzichte van het EU-gemiddelde op een dermate laag niveau, dat een snelle toetreding desastreuze gevolgen zal hebben voor de Turkse economie en concurrentiepositie. Andere factoren, zoals de grootte van het land, de omvang van de bevolking en de geopolitieke situatie spelen ook een rol. Immers, Turkije grenst, uitgerekend als belangrijk Navo-bondgenoot, aan Syrië, Iran, Irak en de Kaukasische Republieken. Principiëler in het huidige debat is de vraag of godsdienst een legitiem argument mag zijn bij een eventueel lidmaatschap van de EU. Het debat in Nederland dreigt onderhand niet meer te gaan over de Turkse merites, maar over de toekomstige positie van moslims in de Europese Unie. In de Kopenhagen-criteria is geen enkele verwijzing naar de religieuze samenstelling van de bevolking opgenomen. De discussie wordt des te pijnlijker als de toekomstige toetreding van Balkan-landen in ogenschouw wordt genomen. Er lijkt geen twijfel over de vraag of deze landen, inclusief Bosnië/Herzegovina, waarvan een omvangrijk deel van de bevolking moslim is, op termijn mogen toetreden. Nederland, maar ook de andere lidstaten, laten zich voorstaan op de strikte scheiding tussen kerk en staat. Turkije heeft sinds Atatürk deze scheiding misschien wel het meest stringent doorgevoerd.
Ook aan culturele verschillen wordt niet in de toetredingscriteria gerefereerd. Uiteraard is de Griekse cultuur wezenlijk anders dan de Nederlandse, maar dit heeft het functioneren van zowel Nederland als Griekenland in de EU nooit belemmerd. Culturele pluriformiteit is juist een belangrijke verworvenheid van de Unie. Turkije kan die verscheidenheid alleen maar versterken. Het zou de bezwaarde ministers sieren Turkije de maat te nemen op basis van de, ook door Nederland onderschreven, Kopenhagen-criteria én de afspraken in Helsinki. En af te zien van oneigenlijke argumenten als cultuur en godsdienst, die eerder appelleren aan latente onderbuikgevoelens over minderheden. Nederland moet zich ook realiseren dat het vooruitzicht van EU-toetreding de vorming van een democratische rechtsstaat in Turkije heeft versneld. Zo heeft het wenkend perspectief van Europa er toe geleid dat de Koerdische minderheid culturele autonomie heeft verkregen en dat voormalig PKK-leider Öcalan niet is geëxecuteerd. Het bruuskeren van de Turkse aspiraties tot toetreding met oneigenlijke argumenten, kan er juist toe leiden dat Turkije verder afglijdt van de door Europa voorgestane waarden en normen.