Research

Europe and the EU

Op-ed

Kiezer en politicus zijn even pro-Europees

08 Aug 2012 - 09:24
Europese integratie wordt een heet hangijzer in de komende verkiezingen. In binnen- en buitenland staat Nederland te boek als eurosceptisch of zelfs anti-Europees. Terwijl de meeste politieke partijen pro-Europees zijn, zo blijkt uit de partijprogramma's en keuzes die gemaakt zijn rond de eurocrisis. Commentatoren concluderen hieruit dat politici niets hebben geleerd uit het veto in 2005 en dat Kamerleden het contact met de kiezers alweer kwijt zijn.

Maar gelukkig, die conclusie klopt niet. Ook de kiezers zijn namelijk niet anti-EU, maar pragmatisch. 'Europa' is niet meer iets van 'voor of tegen' maar is een normaal onderdeel geworden van de politieke strijd. Europese integratie wordt niet meer onvoorwaardelijk gesteund, maar wordt ook niet massaal afgewezen. Europa dwingt tot keuzes en dat is waar de politiek om draait.

Peilingen tonen een gematigd pro-Europese basis. De stilzwijgende steun voor de EU van 20 jaar geleden is inmiddels genormaliseerd tot een politieke strijd waarbij het ene Europese onderwerp tot meer wapengekletter leidt dan het andere. Zeventig procent van de Nederlandse bevolking steunt globalisering en vindt dat de EU helpt om internationaal meer invloed te krijgen. Het overgrote deel van onze handel blijft binnen de EU en dat laat kennelijk sporen na in ons openmarkt-DNA.

Voor de euro

Nederlanders blijken ook onderscheid te maken tussen waar ze de EU wel en niet belangrijk vinden. Steun bestaat bijvoorbeeld voor defensiesamenwerking (62 procent), migratie (58 procent), milieubeleid (80 procent), terrorismebestrijding (89 procent) en - opvallend omdat het om het rondpompen van geld gaat - hulp voor achtergestelde regio's (72 procent). Andere velden houden wij liever nationaal: sociale voorzieningen (21 procent), werkgelegenheidsbeleid (30 procent) en belastingen (22 procent). Cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau tonen zelfs dat een meerderheid voor de euro is. Kiezers kijken kennelijk pragmatisch naar waar de EU meerwaarde biedt. Politieke steun voor de EU is dus geen gegeven, maar moet bevochten worden.

Nederland heeft veel kritiek gekregen als zou het anti-Europees zijn, gezien bijvoorbeeld de harde opstellingen van minister De Jager (financiën) en de Tweede Kamer bij de bestrijding van de eurocrisis en het verlagen van het EU-budget. Toch ging Nederland moeiteloos mee met de miljardensteun aan probleemlanden. Nederland heeft daarin wel barrières opgeworpen tegen ongeconditioneerde reddingsacties. Het toezicht van Europese Commissie en IMF op zwakke eurolanden is versterkt. Deze opstelling is even pragmatisch als de wensen van de kiezer.

Liefde voor de EU ontbreekt

De besluiten leidden tot stevige politieke gevechten. Maar hoe hard er ook gewikt en gewogen is, en gescholden op de EU, de meeste partijen zijn nog altijd pro-Europees en steunen verdergaande integratie en de euro. Hoewel in het debat de liefde voor de EU lijkt te ontbreken. Zo springen partijen op de bres voor de nationale soevereiniteit. Ook dat hoort echter bij de normalisering van 'Europa'. Politiek gaat over concrete keuzes, niet over passie. Dat Nederland wil bezuinigingen op het EU-budget zegt niets over gebrek aan Europese liefde. De huidige nationale bezuinigingswoede betekent evenmin een gebrek aan vaderlandsliefde.

De tijd van Europa als onomstreden interne-marktproject is voorbij. Nu gaat het niet om meer of minder EU, maar om een hoger of lager EU-budget, om een linksere of rechtsere koers in het EU-beleid, om wel of geen uitbreiding, etc. Het bestaan van de EU zelf is minder omstreden dan het lijkt. Politieke partijen zien dat goed. Nu moeten commentatoren nog leren omgaan met deze normalisering en niet alles schetsen in pro- of anti-Europa.