Research
Articles
Laat de Benelux herleven
Op zo'n versterkte samenwerking is in het verleden wel gepreludeerd onder verwijzing naar het gemeenschappelijk economisch gewicht dat de Benelux een plaats onder de groten der aarde zou garanderen. Zelfs het opgaan in een gemeenschappelijk statelijk verband is wel gesuggereerd. Dergelijke ideeën zijn hier niet aan de orde, al was het maar omdat zij niet stroken met de federalisering waaraan België onderhevig is, en hoe dan ook politiek draagvlak binnen de betrokken samenlevingen ontberen. Wel kan de vraag gesteld worden of juist in het licht van de toekomstdiscussie over de EU een samenwerking gewenst is die verder gaat dan de huidige tamelijk vrijblijvende, ad hoc consultatie en afstemming van de zogeheten Benelux-memoranda. In deze documenten formuleren de drie landen, een 'gemeenschappelijk' standpunt over de Unie, maar behouden zij zich het recht voor om uiteindelijk een eigen weg te gaan. De Belgisch-Nederlandse stemmentwist in Nice heeft dat nog eens onderstreept.
Voor een structurele versterking van de Benelux-samenwerking pleit minimaal een drietal redenen.
Ten eerste het perspectief van uitbreiding. De kwantumsprong van 15 naar 27 of meer leden betekent voor ieder van de huidige lidstaten een relatieve achteruitgang in positie. Het vooruitzicht gedegradeerd te worden van founding father tot slechts één van de pakweg 27 lidstaten is allicht voor kleinere landen als België, Nederland en Luxemburg weinig aanlokkelijk. Maar ook zonder het schrikbeeld van marginalisering biedt deze uitbreiding voldoende reden om met grotere inspanning de mogelijkheden tot samenwerking uit te diepen, al was het maar om binnen het in de toekomst nog bontere gezelschap van lidstaten het eigen geluid te laten klinken.
Verder is er de sterker wordende neiging van de grote lidstaten om het voortouw te nemen binnen het Europese gezelschapsspel. Zo'n meer manifeste rol van deze landen is eigen aan de fase waarin het integratieproces verkeert. Dat geldt wel in het bijzonder voor de veiligheidspolitieke en militaire ambities van de Unie. Deze hebben, gegeven het intergouvernementele kader waarbinnen zij vooralsnog moeten worden verwezenlijkt, slechts kans van slagen bij aanvaarding van de bijzondere verantwoordelijkheid van de grote landen. Maar juist dan kan de mobilisering van enig effectief tegenwicht door middel van gezamenlijk optreden van de Benelux-landen nooit kwaad om al te grote eigengereidheid van de `groten' te voorkomen.
Tot slot is er de reeds genoemde discussie over de toekomst van de Unie. Daarin gaat het niet, zoals wel beweerd wordt, om de vaststelling van een dwingende federale blauwdruk van het einddoel van de integratie. Inzet van dit debat is niet de vraag naar de politieke finaliteit, maar die van de toekomstige richting van het integratieproces. Simpel gezegd, een integratieproces dat zich sterker langs intergouvernementele lijnen zal ontwikkelen, dan wel een Unie die geënt is op blijvend sterke communautaire en supranationale structuren. Een vraag die toch in het bijzonder kleinere lidstaten als België en Nederland zou moeten aangaan. Het klassieke leerstuk luidt immers dat juist de kleinere landen belang hebben bij een evenwichtige, maar vooral krachtige communautaire structuur, en bij eenieder in gelijke mate bindende Europese regelgeving.
Zo is er alle reden om extra in te zetten op onderlinge samenwerking met als doel behoud en versterking van de communautaire instellingen en methode. De kansen daartoe lijken bovendien gunstiger dan in het verleden. In september 1991 kreeg het Nederlandse ontwerpverdrag voor `Maastricht' alleen de steun van, inderdaad, België. Nederland voelde zich in de steek gelaten door Duitsland, dat uiteindelijk de Franse lijn verkoos. Het huidige Duitsland lijkt daarentegen bij monde van Fischer en kanselier Schröder een zelfstandiger positie in te nemen in het constitutionele debat. Een opstelling die inhoudelijk bovendien meer aansluit bij het communautaire erfgoed, maar die bovenal landen als Nederland en België grotere ruimte biedt voor eigen initiatieven.
Terwijl het tij dus gunstiger lijkt voor een gezamenlijk optrekken van vooral België en Nederland, wijst de alledaagse praktijk, alle mooie verklaringen ten spijt, op een steeds grotere divergentie tussen beide landen in de oriëntatie op Europa. Waar België bij monde van premier Verhofstadt een onvervalst federaal-supranationaal standpunt inneemt, en zelfs het idee van een Europese belasting propageert, lijkt Nederland al langere tijd te kiezen voor een Europees pragmatisme, dat het in het bijzonder aan de overzijde van het Kanaal goed zal doen. Waar richting en keuze gewenst zijn, spreidt Nederland bovendien tegenstrijdige zienswijzen ten toon, en dat dan ook nog afhankelijk van de toevallige bewindspersoon die aan het woord is. Zo wordt de regering niet moe het belang van de communautaire methode te onderstrepen. Maar hoe dat streven zich verhoudt tot de uitdrukkelijke steun voor het gebruik van toch vooral niet-communautaire instrumenten (zoals informele en vrijblijvende beleidscoördinatie in plaats van bindende besluiten en regelgeving) blijft vooralsnog onduidelijk. En ook uit de expliciete acceptatie van de Europese Raad als ,,essentieel voor het integratieproces'' spreekt toch vooral een toegenomen sympathie voor een meer intergouvernementele aanpak.
België ziet in reactie op onder meer de komende uitbreiding reden het supranationale gebod aan te scherpen. Nederland vertoont daarentegen een neiging om toch vooral de eigen positie te markeren, niet in de laatste plaats ten opzichte van de andere kleinere lidstaten. Dit dan als gevolg van een blijkbaar onbedwingbare hang naar de status van kleinste van de grote landen. De prijs van deze opstelling is echter dat de mogelijkheden van de Benelux-samenwerking in het institutionele debat op voorhand begrensd zijn. Dat is spijtig. Want wie iets wil met de Unie kan juist omdat de lidstaten zo verdeeld zijn, zoals J.L. Heldring enige tijd geleden terecht opmerkte, maar beter hoog inzetten bij de onderhandelingen.