Research
Articles
Laat Grote Drie Europa leiden
De malaise moet worden aangegrepen om radicale veranderingen in de institutionele structuur van het Europese buitenlandse- en veiligheidsbeleid door te voeren. Voormalig EU-commissaris Hans van den Broek opperde onlangs het idee om Europa's Grote Drie - Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië - officieel een leidende rol te geven wanneer het om Europese veiligheidsvraagstukken gaat. De argumenten ten faveure van zo'n triumviraat, waarvoor eerder ook oud-ambassadeur Peter van Walsum pleitte, liggen voor de hand en maken Van den Broeks voorstel wellicht ook voor Nederland acceptabel.
Het is immers onzinnig om in de toekomstige EU van 25 lidstaten vast te houden aan het vetorecht, want dat is het beste recept voor stagnatie. De crisis rondom Irak heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat een Europees buitenlands beleid zonder Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië niet mogelijk is. Als deze drie landen het op hoofdpunten van het Europese buitenlandse beleid met elkaar eens zijn, dan zullen andere lidstaten zich in dit compromis kunnen vinden. Immers, in zo'n compromis zijn de voornaamste belangentegenstellingen binnen de EU verdisconteerd. Zo zal Londen bij elk Europees beleid altijd de transatlantische dimensie in het oog houden, zal Duitsland Europa's militaire ambities zorgvuldig binnen het raamwerk van de internationale rechtsorde plannen, en zal Frankrijk de Europese identiteit blijven bewaken.
Het grote voordeel is dat er transparantie ontstaat. Bovendien zal wanneer dit triumviraat formeel zo'n leidende rol krijgt, de politieke druk toenemen om tot een vergelijk te komen. Natuurlijk zal Nederland het niet met elke beslissing van de Grote Drie eens zijn, maar het enige alternatief voor dit model is doormodderen met de fictie dat elke lidstaat de eigen soevereiniteit kan handhaven.
Maar er zijn ook hinderpalen. Zo zal het niet eenvoudig zijn middelgrote landen als Spanje en Italië van de voordelen te overtuigen. Een belangrijk bezwaar is ook dat het triumviraat zich niet zal beperken tot het uitzetten van de grote beleidslijnen, maar dat het zou kunnen uitgroeien tot een permanent conclaaf dat zich ook met de kleinste details bemoeit. Bovendien, een Frans-Duits-Brits directorium zal zich niet alleen beperken tot het Midden-Oosten, Afrika, of Noord-Korea, maar ook de neiging hebben zich met budgettaire en constitutionele aangelegenheden bezig te houden. Dit zou de hele institutionele opbouw van de EU ondermijnen. Het is dus zaak de rol van de Grote Drie nauwkeurig te omschrijven en de onafhankelijke positie van de Europese Commissie te bewaken.
Verder is het altijd zeer moeilijk gebleken de Grote Drie op één lijn te krijgen. De special relationship die de Britten zo graag koesteren met de Amerikanen, de anti-Amerikaanse opstelling van Parijs, en de neutralistische inslag van Duitsland zijn geduchte obstakels voor een gemeenschappelijke buitenlandse politiek. Het zal niet eenvoudig zijn deze nationale reflexen in een gezamenlijke, Europese richting om te buigen. Zo is de band tussen Londen en Washington een wezenlijk deel van de Britse identiteit, en tevens voor elke Britse premier een onmisbaar statussymbool en gezagsinstrument.
Zeker New Labour is er alles aan gelegen de exclusiviteit van deze relatie breed te etaleren, zelfs met een regering in Washington die ideologisch haar tegenpool is. Hetzelfde geldt voor Frankrijk, waar anti-Amerikanisme voor binnenlands-politieke motieven wordt ingezet. De neogaullistische politiek van president Chirac en zijn minister van Buitenlandse Zaken De Villepin moet de teloorgang van de Franse grandeur op het internationale toneel maskeren. Voordat de Grote Drie goed kunnen samenwerken moeten zij dus niet alleen hun buitenlandse politiek op elkaar afstemmen, maar ook wezenlijke elementen in hun binnenlandse politiek veranderen.
Dit zal zeker niet eenvoudig zijn. Toch zijn dit soort radicale veranderingen noodzakelijk om van Europa een serieuze buitenlands-politieke 'actor' te maken. Het is daarom des te spijtiger dat Nederland zich blijft vastklampen aan rituelen als het roulerende voorzitterschap. Nederland doet er beter aan zich niet bij de 'kleintjes' te scharen, maar om de klassieke taak van bruggenbouwer tussen grote en kleine EU-lidstaten op zich te nemen.
De keuze is immers duidelijk: of Europa blijft een politieke dwerg, of het accepteert dat een nieuw systeem van politiek leiderschap Europa als politiek project uit het slop trekt. Dat de Grote Drie dit voor hun rekening moeten nemen, zou vanzelfsprekend moeten zijn.