Research
Articles
Lage euro is geen teken van zwakte Europese economie
Ondanks de positieve ontwikkelingen is de euro sinds zijn introductie gedeprecieerd ten opzichte van de dollar. Bij de invoering in januari 1999 was de euro $ 1,17 waard. Na begin mei 2000 te zijn gezakt tot een dieptepunt van $ 0,89 staat hij begin juli op ongeveer $ 0,95. Wat zijn de mogelijke oorzaken van deze teleurstellende ontwikkeling?
De conventionele verklaring is dat beleggers en investeerders meer vertrouwen hebben in de Amerikaanse economie omdat de fundamentele economische ontwikkelingen ('fundamentels') gunstiger zouden zijn. De markten zouden twijfels hebben over de politieke wil in Europa en met name in Duitsland om de talloze structurele rigiditeit daadwerkelijk aan te pakken. Dat leidt tot kapitaalstromen in de richting van de VS, die een opwaartse druk op de dollar uitoefenen.
Tijdens een onlangs gehouden Clingendael-symposium ontvouwde de Franse econoom Jean Pierre Landau echter een afwijkende visie op het verloop van de euro-dollar-verhouding. Ondanks de waardedaling van de euro ten opzichte van de dollar acht hij de euro een groot succes. Intra-Europese handelspatronen worden niet meer door wisselkoersfluctuaties verstoord. De inflatie is laag. En dankzij de euro kon de Aziatische crisis zonder problemen worden opgevangen.
Men kan niet simpelweg beweren dat de fundamentals in Europa niet in orde zouden zijn. Kijk maar naar de yen, die thans hoog staat, terwijl Japan nog steeds een begin moet maken met de aanpak van structurele hervormingen. Belangrijker acht Landau de intrinsieke instabiliteit van een tripolair muntsysteern, met de dollar, de euro en de yen als sleutelvaluta's. Reeds vóór de invoering van de euro was hierop door verschillende monetaire economen gewezen. Ook de grote schommelingen van de yen in de afgelopen negen maanden bevestigen deze opvatting. Daarnaast is Landau van mening dat het uitblijven van een publieke reactie van de Europese autoriteiten op de daling van de euro een verder afglijden in de hand heeft gewerkt. In het bijzonder de Duitse autoriteiten gaven te kennen dat een zwakke euro hun wel goed uitkwam, hetgeen in schril contrast staat met de traditionele Duitse positie. Toen uiteindelijk werd verklaard dat de euro 'misaligned' was, steeg de euro weer.
Ook hecht Landau grote waarde aan het feit dat de belangrijkste valutamarkten zich in New York en London bevinden. Het zijn de Angelsaksische analisten die hier de stemming bepalen. Hun opvattingen worden traditioneel gekenmerkt door groot scepticisme ten aanzien van de Europese munt. Velen van hen geloofden niet dat de EMU ooit tot stand zou komen. Een gerenommeerde Amerikaanse econoom als Martin Feldstein heeft zelfs in alle ernst beweerd dat de invoering van de euro tot oorlog in Europa zou leiden. Zelfs nu de EMU een feit is, hebben zij hun draai nog niet gemaakt en zijn zij nog steeds niet in staat om de economische berichtgeving uit Europa op evenwichtige wijze te interpreteren. Landau verwacht dat dit pas verandert als het Verenigd Koninkrijk ooit tot de eurozone toetreedt.
Landau meent overigens dat de zwakke euro niet het belangrijkste probleem vormt. Het grootste gevaar is een val van de dollar, waarop ook in een recent rapport van de Bank for International Settlements (BIS) wordt gewezen.
Los daarvan rijst de vraag of toch niet iets dient te worden gedaan aan de waarde van de euro. Gegeven dat de extra-Europese handel slechts 12% van het Europese bbp bedraagt, vinden sommigen dat een beleid van 'benign neglect' op zijn plaats is. Anderen daarentegen wijzen erop dat een lage euro leidt tot hogere inflatie en duurdere import, bijvoorbeeld een hogere olierekening. Zij zijn dan ook voor een zekere beïnvloeding van de koers van de euro en achten een sterkere Europese coördinatie van het economisch beleid daarvoor een voorwaarde.
Toch kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij deze opvatting. In de eerste plaats is de samenhang tussen intern economisch beleid en de waarde van de euro uiterst diffuus. Daarnaast kan economische coördinatie ten koste gaan van gezonde beleidsconcurrentie. In sommige gevallen (bijvoorbeeld ten aanzien van de btw) werkt beleidsconcurrentie verstorend op de gemeenschappelijke markt, in andere gevallen (bijvoorbeeld bij lonen en arbeidsvoorwaarden) juist niet.
Indien beleidscoördinatie bijvoorbeeld zou leiden tot de grootste gemene deler van het beleid van de EU- lidstaten, bestaat het gevaar dat het succesvolle economische beleid dat in verschillende kleinere Europese landen is gevoerd, zich dient te conformeren aan het minder succesvolle beleid van de grotere landen. In dat geval zullen de kleinere landen hun goede beleid moeten inruilen voor slechter beleid van de groten en zal de druk om ook in deze laatste landen tot een beter, groei- en werkgelegenheidsbevorderend beleid te komen afnemen. En daar wordt niemand beter van.