Louter economische groei is niet voldoende voor een sociaal Europa
Een herziening van de Detacheringsrichtlijn is een belangrijke stap in het garanderen van sociale standaarden in Europa. Concurrentie op sociale standaarden en een zogeheten ‘race to the bottom’ moeten worden voorkomen. Recentelijk hebben 11 nationale parlementen een ‘gele kaart’ tegenover het voorstel van de Commissie getrokken. Zij is daarmee verplicht de tekst opnieuw in ogenschouw te nemen. De argumenten richten zich op het subsidiariteitsbeginsel: Europa dient zich hier niet mee bezig te houden, het kan beter op het nationale niveau geregeld worden.
De Commissie zal echter goede redenen hebben het huidige voorstel te handhaven. Het subsidiariteitsargument is namelijk zwak. EU regelgeving bestaat al op dit gebied: de Detacheringsrichtlijn wordt op dit moment aangepast, geen nieuwe EU regelgeving op een nieuw onderwerp wordt daarmee ontworpen. De richtlijn adresseert daarnaast een probleem dat duidelijk niet nationaal kan worden opgelost: de detachering van werknemers van de ene lidstaat naar de andere betreft een grensoverschrijdende activiteit.
Verder kan aan specifiek inhoudelijke argumenten tegemoet worden gekomen. Zo bestaat bijvoorbeeld de zorg bij de Denen dat de richtlijn een inbreuk kan vormen op hun sociale dialoog en loonvorming. Het aanpassen van het voorstel aan de specifieke wensen van één land kan echter tot frustratie leiden bij andere landen. Er is ruimte voor compromis, zolang ook een brede meerderheid in het Europees Parlement kan worden behaald.
Sociaal Europa vereist een bredere sociale discussie tussen lidstaten
Het bewustzijn van het belang van een sociaal Europa is wijdverbreid. Maar het vinden van een consensus hoe je een sociaal Europa realiseert, ligt gecompliceerder: de EU worstelt met een verscheidenheid aan economische achtergronden en verschillende perspectieven op een sociaal welvaartsmodel. Het economische verdienmodel van nieuwe lidstaten kan bijvoorbeeld botsen met de belangen van andere lidstaten. Een afname van arbeidsmobiliteit in Europa zal waarschijnlijk een toename in werkeloosheid betekenen voor de uitzendende landen. Arbeidsmobiliteit is niet per se iets negatiefs. Maar het dient plaats te vinden binnen de context van minimumstandaarden en gelijkheid, en zonder misbruik (van werknemers).
De onvrede die tot de gele kaart procedure heeft geleid, moet worden gezien in de context van een meer fundamentelere sociale discussie in de EU tussen oude en nieuwe lidstaten, tussen Oost en West. Het is een debat over de algemene coördinatie van sociaal beleid, over sociale zekerheid en ook de manier van het oplossen van het huidige vluchtelingenvraagstuk. Om tot een compromis te komen, dat wil zeggen een Europees sociaal karakter dat acceptabel is voor iedereen, is het wellicht wenselijk om te reflecteren op deze andere dossiers. Voor een akkoord bij de Detacheringsrichtlijn moet men beseffen dat de positie van lidstaten in verbinding staat met andere kwesties.
De onvrede van burgers met Brussel is groter over de niet afdoende gereguleerde Europese arbeidsmobiliteit dan EU ingrijpen zelf. Het Nederlands voorzitterschap bij monde van Minister Lodewijk Asscher heeft het onderwerp hoog op de agenda gezet voor een reden. Zowel ongereguleerde concurrentie als ongereguleerde arbeidsmobiliteit moeten worden aangepakt, anders zullen oneerlijke praktijken blijven plaatsvinden.
Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie, dient te handelen en te leveren op zijn belofte van een ‘social triple A’. De Commissie heeft het Juncker investeringsfonds (EFSI) gelanceerd en richt zich op het Jeugd Garantie Initiatief en de versterking van de sociale dialoog binnen het Europees Semester. Juncker ziet in dat het belangrijk is resultaten te boeken op een sociaal karakter en heeft grote ambitie uitgedrukt. Maar na anderhalf jaar is het tijd dat de lidstaten de vruchten kunnen zien van deze maatregelen.
De Europese Pijler voor Sociale Rechten, een consultatie document, is een goed begin. Het probleem is alleen dat het niet geoperationaliseerd is. Evenzo laat betere implementatie binnen de sociale dialoog op zich wachten. Een overeenkomst in de kappers sector is nog steeds niet omgezet in EU regelgeving. Verder is het Juncker investeringsfonds een mooi initiatief, maar met de allocatie van de fondsen worden de verschillende achtergronden van de lidstaten niet in ogenschouw genomen. Bijvoorbeeld, hoge inkomenslanden zoals Nederland zijn erg succesvol geweest in het verwerven van fondsen, terwijl EFSI eigenlijk bedrijven in landen en regio’s zouden moeten helpen die het het meest nodig hebben.
Economische groei dient de omstandigheden voor alle burgers in alle lidstaten te verbeteren
Voor lange tijd werd een ‘Sociaal Europa’ bekeken vanuit het oogpunt van economische groei. Als de EU economische groei op het continent kon verzekeren, dan zou het welvaart brengen aan ieder. Ook al hield dit meer welvaart in voor de een dan de ander, de hele groep zou desalniettemin groeien. Dit idee heeft op zich voor vele jaren gewerkt, maar is inmiddels sinds begin 2000 achterhaald. Om tot een socialer Europa te komen, is economische groei belangrijk, maar het is niet genoeg.
In plaats daarvan is opwaartse sociaaleconomische convergentie nodig binnen de hele EU. Ondanks de grote verschillen tussen de lidstaten en hun verscheidene belangen, zullen we meer (sociale) regelgeving moeten afstemmen en coördineren op Europees niveau. Minstens zo belangrijk, en soms vergeten, is dat we EU handelsverdragen dienen af te sluiten met het oog op duurzame werkgelegenheid en profijt voor allen, niet voor enkele bedrijven in bepaalde landen.
De verschillende visies en perspectieven van elke lidstaat kan ook binnen de S&D familie in het Europees Parlement worden gevonden. Echter zijn we allen ervan overtuigd dat voorspoed bevordert dient te worden voor allen.
____
Agnes Jongerius is rapporteur voor de nieuwe detacheringsrichtlijn van de Europese Unie en Europarlementariër voor de PvdA.