Research

Articles

Moslimjongeren radicaliseren door lotsverbondenheid

17 Mar 2006 - 00:00
In het Brusselse European Security Forum discussiëren wetenschappers en beleidsmakers over veiligheidsvraagstukken. De oorspronkelijke titel van de bijeenkomst van deze week was ’Tussen zelfmoordterroristen en brandende buitenwijken’. Maar die titel was te controversieel en werd vervangen door het neutralere ’de uitdaging van Europa’s parallelle samenlevingen’.

Zelfs bij clubs als deze slaat de politieke correctheid dus toe. Maar brandende Parijse buitenwijken en de terreuraanslagen in Londen waren wel degelijk de directe aanleiding voor de bijeenkomst. In veel Europese steden zouden wijken zich ontwikkelen tot parallelle samenlevingen van achtergestelde, etnische groepen met afwijkende normen en waarden en een eigen, grijze economie, waarop de overheid weinig vat heeft. Het gevolg? Ze bieden terreurbewegingen onderdak, criminaliteit tiert er welig en ontevredenen jongeren komen in opstand.

De relatie tussen de opstanden vorig najaar in Frankrijk en de Hofstadgroep zijn zo twee zijden van dezelfde medaille. Politici in verschillende Europese landen hebben dezelfde oplossing voor ogen: versterking van de binding tussen achtergestelde groepen met de samenleving en de rechtsstaat. Dat kan, zo wordt gedacht, door het wegwerken van sociaal-economische achterstanden en beter onderwijs. Want kansarme allochtone jongeren die zich niet gediscrimineerd voelen, komen niet in opstand en zullen niet radicaliseren. Opleidingen en banen dus. En daarmee is het debat verengd tot een herkenbaar sociaal-economisch probleem en wordt extra geld de kern van de oplossing.

Het Nederlandse regeringsbeleid is hierop gebaseerd en lokale actieprogramma’s spelen erop in. Ik heb helemaal niets tegen dit soort actieplannen. Integendeel. Nederland kan als democratie en rechtsstaat slechts functioneren als er samenhang is binnen de maatschappij. Taal en kennis van onze cultuur zijn essentieel om een plek in die samenleving te vinden. Zo kan ook de sociaal-economische ongelijkheid worden verkleind. Ongetwijfeld levert dit beleid een bijdrage aan welzijn en stabiliteit. Maar lost dit ook het probleem op van rellen en terrorisme? In Brussel was de scepsis groot.

Allereerst bleken rellen en moslimterrorisme verschillende problemen. De scheidende Amsterdamse stadsdeelbestuurder Henk Goettsch omschreef onlangs de 100 tot 150 Marokkanen die Slotervaart terroriseerden in NRC Handelsblad als ’zo maf als een deur’ en ’van God los’. Dit soort gemarginaliseerde types zetten ook de Franse buitenwijken op stelten. Met moslimradicalisme heeft het weinig van doen, want de relschoppers weten nauwelijks het verschil tussen Allah en Mohammed. Onlangs concludeerde de International Crisis Group dat door de depolitisering van moslimjongeren onvrede niet goed kan worden gekanaliseerd. Die onvrede zoekt dus een andere uitweg. Dat verklaart de opstanden in de banlieues. Goettsch suggereerde dat deze groepen langdurig van de straat moeten worden gehaald omdat niets helpt. Het waren onbereikbare drop-outs.

Voorts blijken vooral hoger opgeleide moslimjongeren te radicaliseren. Kennelijk is er enige intellectuele bagage nodig om grieven in ideologisch en religieus gemotiveerde actie om te zetten. Moslimjongeren radicaliseren niet uit onvrede met hun sociaal-economische situatie, maar door lotsverbondenheid met hun broeders elders in de wereld. Ze ergeren zich mateloos aan het conflict tussen Israël en de Palestijnen, de westerse bemoeienis met Afghanistan en Irak, en uitwassen zoals Guantánamo Bay. Hun referentiekader is de wereld, niet het land waarin ze leven. Samir A. en Mohammed B. waren hierover in de rechtszaal duidelijk. Pas als het Westen zich uit de islamitische wereld terugtrekt zijn zij bereid zich te matigen.

De groep ging in Brussel wat gedeprimeerd uiteen. Standaardoplossingen voldoen niet. Sterker, beter onderwijs leidt mogelijk tot minder rellen, maar tot meer radicalisering als het Westen zijn politiek ten opzichte van de islamitische wereld voortzet.