Research
Op-ed
Nederland belandt met geschipper in Europees isolement
Dat laatste is in het licht van de irritatie bij een aantal medelidstaten over het Nederlandse stilzwijgen over wat te doen na het nee, een welkom signaal. Het had ook niet veel langer op zich moeten laten wachten. De tijd begint immers te dringen, met een Duits voorzitterschap dat in juni de route naar dat nieuwe verdrag wil uitzetten. Wil Nederland nog invloed hebben op dat traject, dan is het dus zaak dat het kabinet de komende maanden de medelidstaten, Duitsland voorop, weet te winnen voor de Nederlandse opvattingen. Dat is vooral belangrijk gezien de Franse positie. Tot de Franse presidentsverkiezingen zal daadwerkelijke besluitvorming over wat nu te doen niet mogelijk zijn. Na die verkiezingen is er echter het immer dreigende gevaar van een Frans-Duits compromis en daarmee van Nederlands isolement. Nederland heeft er dus alle belang bij om de komende periode optimaal te gebruiken om het eigen geluid te laten horen.
Maar is de boodschap van het regeerakkoord overtuigend? Die vraag dient eigenlijk gesteld te worden aan de landen die de Europese grondwet wel geratificeerd hebben. Deze landen zetten in op een oplossing die zoveel mogelijk het grondwettelijk verdrag respecteert. Dat was in ieder geval hun boodschap toen zij als 'vrienden van het grondwettelijk verdrag' op 26 januari in Madrid bijeenkwamen. En daarmee tekent zich al een eerste spanningsveld met de Nederlandse positie af. Het nieuwe kabinet wil immers een verdrag dat zich 'overtuigend onderscheidt' van de grondwet. De redenen voor die opvatting zijn evident en onderstrepen het binnenlands-politieke dilemma waarmee het nieuwe kabinet worstelt.
Allereerst is daar de samenstelling van de nieuwe coalitie. Met een ChristenUnie, die voorop liep in het verzet tegen de grondwet en een PvdA die kwetsbaar is op haar linkerflank tegenover de SP, moet dit kabinet wel inzetten op een 'minimalistische' variant. Die variant is, ten tweede, ook de enige uitweg uit het ratificatiedilemma, want de Raad van State kan alleen geloofwaardig adviseren af te zien van een nieuw referendum als dit verdrag inderdaad wezenlijk afwijkt van de verworpen grondwet.
Van wat dit concreet betekent, gaf oudminister van Buitenlandse Zaken Bot al een voorproefje in november vorig jaar, toen hij voorstelde het grondwettelijk verdrag te ontdoen van alle constitutionele elementen, waaronder het bekende deel II inzake de fundamentele rechten van de burger. Het nieuwe kabinet scherpt die lijn verder aan. De PvdA wordt tevreden gesteld met de stelling dat in het nieuwe verdrag afspraken moeten worden neergelegd die bescherming van de publieke sector tegen de bemoeienis van 'Brussel' verzekeren.
Voor ChristenUnie en CDA wordt het subsidiariteitsbeginsel nog eens verder opgepoetst, met daarbij de suggestie van een vetorecht (rode kaart) voor nationale parlementen om Brussel buiten de deur te kunnen houden. En de laatste partij heeft het zelfs voor elkaar gekregen dat de mogelijkheid van een tussenlidmaatschap ('partenariaat') voor kandidaat-lidstaten in de tekst van het regeerakkoord is opgenomen. Natuurlijk, in hetzelfde regeerakkoord wordt met een beroep op de wensen van de burger een pleidooi gehouden voor 'meer Europa' op terreinen als duurzaamheid, energie, en asiel en migratie. Maar hoe geloofwaardig die oproep is, zal blijken als Nederland en de andere lidstaten gevraagd wordt op de genoemde terreinen soevereiniteit over te dragen. Van bereidheid daartoe is tot nu toe weinig gebleken.
Kortom, zoals zo vaak in dit polderland is het regeerakkoord een typisch Haags compromis, waarbij de haalbaarheid op Europees niveau ondergeschikt is aan het welbekende nationale handjeklap. Anders gezegd: of het kabinet hiermee een begin heeft gemaakt met het formuleren van een ook voor de Europese partners geloofwaardig alternatief voor de Europese grondwet, valt zeer te betwijfelen.