Research
Articles
Nederland moet gidsrol in de wereld terugwinnen
Een recent voorbeeld van internationale verbazing was het besluit over de opvolger van de F-16, de JSF. Dit besluit werd louter op grond van een nationale business case genomen. De doorslag gaven de verwachte compensatieorders voor de Nederlandse industrie. Een strategische reden voor de aanschaf ontbrak. Bij een zo belangrijk besluit zou men verwachten dat de Kamer diepgaand zou debatteren over de strategische en toekomstige noodzaak van een bemand toestel en de taken die het moet uitvoeren.
In Nederland richt de discussie zich in toenemende mate op nationale kwesties, zonder acht te slaan op de internationale context. Discussies over veiligheid zijn discussies over bolletjesslikkers, zinloos geweld en criminaliteit. Allemaal erg belangrijk, maar de veiligheid van Nederland wordt in eerste instantie bepaald door de toestand in de wereld. Na de aanslagen van 11 september 2001 is een publiek debat over de kwetsbaarheid van Nederland en haar rol in de strijd tegen het internationale terrorisme uitgebleven. Het was opmerkelijk hoe snel Nederland overging tot de orde van de dag. En dat terwijl bijvoorbeeld Jürgen Storbeck, de directeur van Europol, onlangs stelde dat het niet de vraag is òf, maar wanneer Europa met dit soort aanslagen wordt geconfronteerd. Dat geldt dus ook voor Nederland.
Toegegeven, Nederland is nog steeds een belangrijke leverancier van troepen voor vredesoperaties. Het besluit om de leiding te nemen over Task Force Fox, de vredesoperatie in Macedonië, verdient respect. Maar gelijktijdig maakte het kabinet-Balkenende in het strategische document duidelijk dat de ambities naar beneden moeten worden bijgesteld. Nederland zal in het vervolg aan drie, in plaats van vier vredesoperaties gelijktijdig kunnen deelnemen, terwijl defensie met honderden miljoenen euro's gekort wordt.
Dit soort maatregelen gaan aan het buitenland niet onopgemerkt voorbij. Lord Robertson, de secretaris-generaal van de NAVO, waarschuwde een maand geleden dat nieuwe bezuinigingen de NAVO ter ziele helpen. Robertson doelde vooral op het gevolg van achterblijvende investeringen in de defensie in Europa, waardoor voor de Verenigde Staten een belangrijke reden vervalt om de NAVO intact te houden.
Het Verenigd Koninkrijk is een gunstige uitzondering, maar trekt tevens consequenties voor samenwerking met Europese partners. Als de continentale Europeanen weigeren hun militaire capaciteiten te verbeteren, zal de Britse regering zich niet langer inzetten voor de versterking van het Europese Veiligheids en Defensie Beleid (EVDB) van de Europese Unie.
Cruciaal is dat de Verenigde Staten in hun strijd tegen het internationale terrorisme doorgaan, met of zonder bondgenoten. Voor Amerika staat niets minder dan de mondiale stabiliteit op het spel, waarbij de grootste zorg Azië van Korea tot het Midden-Oosten is. Europa is rijk en stabiel, kan voor zijn eigen veiligheid zorgen, maar zou ook moeten deelnemen aan Amerikaanse operaties elders in de wereld wanneer gezamenlijke belangen op het spel staan. Om het Europese militaire vermogen te verbeteren, pleiten Amerikanen daarom voor intensievere samenwerking op het gebied van defensie binnen de EU. De EU spendeert voldoende aan defensie, maar doordat van een gezamenlijke defensieinspanning geen sprake is, wordt veel geld over de balk gegooid door onnodige duplicatie. Het Nederlandse ministerie van Defensie is bij wijze van spreken groot genoeg voor de aansturing van de krijgsmachten van de gehele Benelux.
Er kan dus veel meer met het zelfde geld worden gedaan, mits de lidstaten van de EU hun schaarse middelen, zoals transportvliegtuigen, met elkaar willen delen en de weg naar taakspecialisatie willen inslaan. Opmerkelijk is dat het aantal voorstanders van taakspecialisatie tussen landen nu ook groeit in de grote Europese landen zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland.
Er bestaat overigens overeenstemming waarin de Europese landen moeten investeren: precisiebommen, raketten, snel inzetbare grondtroepen, lucht- en zeetransport, middelen voor het verzamelen van inlichtingen, systemen ten behoeve van de commandovoering en raketverdediging. Nederland, van oudsher voorvechter van taakspecialisatie, zou met nieuwe initiatieven moeten komen over internationale taakverdeling.
Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat krijgsmachten de komende decennia voortdurend zullen worden getransformeerd. De tijd is voorbij dat een defensienota tien jaar houdbaar is. Vredesoperaties, de strijd tegen het terrorisme, ongeregelde oorlogvoering tegen milities en bendes vereisen een voortdurende aanpassing van alle krijgsmachtonderdelen. In hoog tempo worden in de Verenigde Staten nieuwe doctrines ontwikkeld, zoals network centric warfare, waarbij in een netwerk van kleine eenheden wordt opgetreden. De afzonderlijke eenheden kunnen naar eigen inzicht air power, in de vorm van vliegtuigen en raketten van luchtmachten en marines, inroepen.
De revolutie op het gebied van de informatie en communicatietechnologie maakt deze vormen van optreden mogelijk. Het koppelt eenheden aan elkaar en zorgt voor een compleet beeld van het actuele slagveld. Het staat vast dat de effectiviteit van het optreden onder alle omstandigheden sterk wordt verbeterd, maar dat de consequenties voor de inrichting, uitrusting en oefening van de krijgsmachten immens zijn. Het staat ook vast dat landen die niet meegaan omdat ze niet bereid zijn in defensie te investeren, hun huidige krijgsmacht overbodig dreigen te maken en zich internationaal buitenspel kunnen zetten.
Nederland kan zijn belangrijke rol in de internationale politiek terugwinnen door een visie te ontwikkelen op de internationale rol die het wil spelen en welke investeringen daarbij horen. De crux is dat er voor Nederland weinig echte keuzes zijn. Nederland behoort bij de belangrijkste vijftien economieën en is onderdeel van NAVO en EU. Dit schept internationale verplichtingen. Free riding is uitgesloten. Nederland is bovendien als democratie en hoogontwikkeld land kwetsbaar voor invloeden van buiten. Dat betekent dat dit land belang heeft bij vrede en stabiliteit in de wereld en daaraan een bijdrage moet leveren. Nederland moet zich daarom inzetten voor de versterking van instituties zoals de VN, de NAVO en de EU. En Nederland moet een krijgsmacht houden die weliswaar bescheiden van omvang is, maar internationaal respect afdwingt door innovatie en de mogelijkheid tot optreden in internationaal verband, zowel voor vredesoperaties als ter bescherming van belangen waar ook ter wereld.
Maar zelfs bij een gelijkblijvend of stijgend defensiebudget zijn keuzes onontkoombaar. Wat ons betreft zijn die duidelijk: de marine specialiseert zich op de ondersteuning van landoperaties met kruisraketten en raketverdediging; de landmacht richt zich op vredesoperaties en expeditionaire oorlogvoering met speciale operaties van commando's en aanverwante eenheden en gespecialiseerd optreden met luchtmobiele eenheden; de luchtmacht ten slotte richt zich op verkenningstaken en precisiebombardementen. Dergelijke prioriteiten vereisen investeringen, maar geven de Nederlandse krijgsmacht meerwaarde. Andere prioriteiten zijn natuurlijk denkbaar, maar dat vereist wel de bereidheid tot een politiek en publiek debat over de Nederlandse ambities op het gebied van veiligheid en defensie.
David C. Gompert is president van RAND-Europe, en Rob de Wijk is als defensiedeskundige verbonden aan het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael.