Research

Articles

Nederland moet zijn plaats in Europa snel hervinden

04 Jun 2007 - 10:28
Op 20 en 21 juni vergadert de Europese Raad om de impasse rond het grondwettelijk verdrag te doorbreken. Het Nederlandse 'neen' van 1 juni 2005 is een van de kopzorgen van het Duitse voorzitterschap.

Het kabinet heeft inmiddels voorstellen gedaan om de crisis op te lossen. Het kabinet is voorstander van een nieuw verdrag dat qua inhoud, omvang en benaming verschilt van het eerdere, verworpen, verdrag. Het zal niet makkelijk zijn die voorstellen door de andere EU-landen aanvaard te krijgen. Heronderhandelen is in EU-verband ook riskant. Het evenwicht dat destijds aan het bereikte akkoord ten grondslag lag, kan immers gemakkelijk weer ter discussie worden gesteld.

Toch verdient de benadering van het kabinet zoals neergelegd in de brieven aan de Tweede Kamer van 19 maart en 21 mei steun.

De wens van het kabinet de essentie van het institutionele (eerste) deel van het grondwettelijk verdrag te behouden, strookt met de bedoeling van dat verdrag de EU democratischer en efficiënter te laten functioneren. De burger steunt dergelijke doelstellingen, wanneer die tenminste duidelijk worden uitgelegd. De suggestie het tweede deel van het grondwettelijk verdrag (grondrechten) niet in een nieuw verdrag op te nemen, past bij de inzet van het kabinet voor een korter verdrag. Worden de desbetreffende teksten in een juridisch bindend protocol opgenomen, dan wordt toch recht gedaan aan het belang van grondrechten voor het functioneren van de EU.

Wat betreft het derde deel stelt het kabinet voor om teksten inzake al bestaande Europese beleidsterreinen niet opnieuw in een verdragtekst op te nemen. Het kabinet wil zich beperken tot wat echt nieuw is en doet ter zake ook voorstellen. Vanuit de bedoeling om een kortere tekst te maken, is dit kabinetsstandpunt begrijpelijk. De Nederlandse benadering inzake nieuwe beleidsterreinen heeft zelfs voordelen. Worden teksten inzake klimaatbeheersing, energie en milieu, asiel, immigratie en terrorismebestrijding, buitenlands beleid en defensie, inderdaad in het verdrag opgenomen, dan betekent dat bepaald vooruitgang.

Dan zijn er nog andere Nederlandse desiderata. Het kabinet wil af van de benaming 'grondwet'. Het wil ook een scherpere bevoegdheidsafbakening ten aanzien van gevoelige beleidsterreinen als sociale zekerheid, onderwijs en gezondheidszorg. Deze behoren, zegt het kabinet, in essentie tot het nationaal domein. Het wil ook de publieke dienstverlening beschermen. Nederland wil verder enkele symbolische kwesties zoals de Europese vlag en de hymne uit de verdragteksten verwijderen. Ook wil het kabinet nationale parlementen de bevoegdheid geven Commissie-voorstellen tegen te houden ('rode kaart') als een (ruime) meerderheid van nationale parlementen die voorstellen niet opportuun vindt.

Een andere naam dan die van 'grondwet' zal naar verwachting bij andere partijen niet op grote bezwaren stuiten. Wat betreft de gevoelige beleidsterreinen heeft Nederland niks van Europa te vrezen. Europa beschikt op deze terreinen namelijk niet of nauwelijks over inhoudelijke bevoegdheden. Zo nodig kan aan de Nederlandse zorgen tegemoet worden gekomen via een toelichtende verklaring. Verder worden de publieke diensten nu reeds door de verdragen beschermd. Desnoods kan dat nog eens extra worden bevestigd. Dan de 'symboliek'. Dat de Unie een vlag en een hymne heeft, weten we al heel lang. Dat niet willen vermelden in het verdrag, is een beetje flauw. Het wél doen maakt de Unie niet tot een superstaat. Ten slotte is een 'rode' kaart voor nationale parlementen een slecht voorstel omdat nationale parlementen niet rechtstreeks betrokken zijn bij de besluitvorming op Europees niveau. Die rol is weggelegd voor het Europees Parlement.

Intussen zal bij nieuwe onderhandelingen met de opstelling van 26 andere EU-landen rekening moeten worden gehouden. Vergeet niet dat 18 van de 27 landen het grondwettelijk verdrag al hebben goedgekeurd en dat een aantal andere landen dat zonder veel problemen alsnog kan doen. Vandaar: als de Nederlandse problemen aanleiding zullen geven tot nieuwe onderhandelingen, dan moet zo'n nieuwe exercitie die andere landen ook iets te bieden hebben. Dat kan een reden zijn het voorstel betreffende de voorzitter van de Europese Raad te aanvaarden. Zoals ingebed in de teksten van het grondwettelijk verdrag, is dat voorzitterschap overigens niet een zeer belangrijke functie. De bevoegdheden van de voorzitter zijn in essentie beperkt tot intern management en het leiden van vergaderingen. De figuur van de minister van Buitenlandse Zaken van de EU zou ook aanvaardbaar moeten zijn. Een voordeel van zo'n nieuwe figuur is trouwens - vooral voor de kleinere en middelgrote landen van belang - dat de minister tevens vicevoorzitter wordt van de Commissie, de instelling die het algemeen belang van de EU behartigt.

In een zich steeds uitbreidende Unie neemt de politieke betekenis van een middelgroot land als Nederland af. Maar voor ons land is het lidmaatschap van de Unie van vitaal belang. De vrije markt en de mogelijkheden van vrij verkeer hebben onze economie enorme stimulansen gegeven en voorspoed gebracht voor de burger. Ook in de nieuwe lidstaten presteert het Nederlandse bedrijfsleven bijzonder goed.

Nederland was voorheen een betrouwbare en constructieve Europese partner. We dreigen nu gemarginaliseerd te worden. Nederland moet zijn oude plaats in de Europese arena dan ook snel weer innemen. Duurt de impasse te lang, dan dreigt ons land in Europa niet meer serieus te worden genomen. Anderen zullen de vraag stellen wat Nederland eigenlijk in Europa te zoeken heeft. De Nederlandse belangen zullen daar ernstig door worden geschaad. We moeten het niet zover laten komen.