Research

Europe and the EU

Articles

"Nee" van vandaag stoelt op afkeer en wantrouwen

01 Jun 2005 - 08:38
Geen antwoord op vraag: Wat betekent Grondwet voor mij als euroburger? Wat is er misgegaan met het ogenschijnlijk pro-Europese Nederland? Het geeft uiting aan zijn wantrouwen tegen het politieke establishment. Dus Den Haag, communiceer!Afgaande op de laatste peilingen zegt de Nederlandse kiezer vandaag 'nee' tegen het Grondwettelijk Verdrag. Dit terwijl regering, parlement, werkgevers- en werknemersorganisaties en de 'beschaafde burgerij' het er over eens zijn dat dit verdrag winst betekent voor Europa op talloze terreinen: de democratisering, de machtsverdeling en de bestuurbaarheid worden beter geregeld. In het buitenland wordt het tweede 'nee', na Frankrijk afgelopen zondag, van een van de founding fathers van de Europese Unie met verbijstering gevolgd. Wat ging er mis in het ogenschijnlijk zo pro-Europese Nederland?

Een eerste reden voor het Nederlandse 'nee' is te vinden in de afkeer van het politieke establishment. Zowel op Europees als op nationaal niveau is de kiezer nooit gekend in de voortgang van het integratieproject. De eerste decennia had de kiezer op Europees niveau geen stem, wat niet wezenlijk veranderde na de eerste directe verkiezingen voor het Europees Parlement in 1979. Voor of tegen Europa, welke kant moet het op Europa, de stem van de kiezer werd niet gehoord.

In grote politieke beslissingen, zoals de introductie van de Euro, de uitbreiding en de start van de onderhandelingen met Turkije werd de opinie van de burger nooit gevraagd. Ook niet op nationaal niveau. De Nederlandse zakelijk-politieke elite committeerde zich onder het motto meer Europa is goed voor Nederland, immers een klein land met een open, exportgerichte economie, zonder meer aan deze politieke beslissingen.

Nu krijgt het Nederlandse electoraat voor de eerste keer een rechtstreekse kans om zich uit te spreken over het Nederlandse en het Europese beleid en dan is het niet verrassend dat men afkeurend staat tegenover alle grote politieke beslissingen waarin de kiezer niet gekend is, maar die hem wél direct raakt. Het Nederlands parlement, initiatiefnemer van deze volksraadpleging, had zich er rekenschap van moeten geven dat dit referendum wel eens uit kon draaien op een schot in de eigen voet.

Een tweede reden voor het 'nee' is het gebrek aan vertrouwen in de nationale politiek. De kiezer hoort minister Zalm al jaren fulmineren tegen de grote nettobetalingen van Nederland aan Europa. Bijna dagelijks hoort de burger dat de implementatie van Nederland onwelgevallige wetgeving de schuld is van Brussel, waarbij politici gemakshalve vergeten dat Nederland zelf meebeslist. De stelselmatige ontkenning van de Europeanisering van het nationale beleid -Nederland kan het zeker onder Balkenende wel alleen af in de polder- maakt dat de boodschap van onze politici -'Europa best belangrijk, stem Ja'- weinig vertrouwen wekt.

Een vertrouwen dat nog verder werd geschaad door het optreden van de politici: Minister Brinkhorst die verklaarde dat dit referendum eigenlijk té moeilijk was voor het volk, minister Bot die adviseerde vooral niet te gaan stemmen als men toch niet wist waarover en premier Balkenende die vooraf verklaarde geen consequenties te verbinden aan een nee. Ook de toekenning van 3,5 miljoen extra pro-campagnegelden aan een belanghebbende regering, terwijl het nee-kamp het met een schamele 400000 euro via de referendumcommissie moest doen, maakte de ja-campagne minder geloofwaardig.

Tot overmaat van ramp verklaarde het merendeel van de politieke partijen de referendumuitslag te respecteren. Een adviserende raadpleging werd zodoende eensklaps bindend. Maar erkent de politiek, die in meerderheid voor is, écht de wil van de kiezer en gaat Nederland niet alsnog, desnoods indirect, het Verdrag ratificeren? De (verwachte) uitslag illustreert de argwaan van de kiezer, die niet zozeer 'nee' zegt tegen het Europese project, maar zijn stem, net als in Frankrijk, gebruikt als uiting van wantrouwen tegen het politieke establishment.

Tot slot is de complexiteit van het Verdrag voordelig voor het nee-kamp. Hoe een 'ja' te verwerven voor een document van rond de 500 pagina's, met technocratische paragrafen over gekwalificeerde meerderheidsstemming, het subsidiariteitsbeginsel en een noodremprocedure? Hier wreekt zich de gebrekkige communicatie die het beste gekenschetst kan worden als te gering en te laat.

Pas in februari werd een referendumcommissie ingesteld, die met èn een zeer beperkt budget èn een zeer kort tijdslimiet moest werken. Hoe een maatschappijbreed debat te entameren -met een weloverwogen 'ja' dan wel 'nee'- met een budget van slechts één miljoen euro en zes weken tijd over een dergelijk gecompliceerd document: een mission impossible.

De verdeeldheid in het kamp van de voorstanders, bijvoorbeeld de publieke onenigheid tussen GroenLinks en de VVD over de uitleg van bepaalde defensieparagrafen, droeg niet bij aan een overtuigend 'ja'. De naar 'ja' neigende twijfelaar probeerde zijn gelijk bevestigd te zien in een taaie referendumkrant en in de door de referendumcommissie opgestelde samenvatting van de Grondwet. Over de belangrijkste vraag: wat betekent deze grondwet voor mij als Europees burger? verkreeg de kiezer geen duidelijkheid.

Voor het nee-kamp was de boodschap veel eenvoudiger. Ook al werden de meeste argumenten van met name de SP over de teloorgang van het Nederlandse euthanasiebeleid, het homohuwelijk en het drugsbeleid snel ontmaskerd, ze appelleerden wel aan een diffuse angst voor de alles overheersende Europese superstaat.

Een angst die nog werd versterkt door het gebruik van de hoogst ongelukkige term Europese Grondwet, terwijl het om niet meer dan een verdragswijziging gaat. De eurosceptici wisten die angst te gebruiken. Het bleek voor het nee-kamp veel eenvoudiger om campagne te voeren door in te spelen op sentimenten waarover de Grondwet juist niet gaat: een appèl op een postume veroordeling van de euro, de uitbreiding van de Unie en Turkije.

Ook innovaties waarin de Grondwet voorziet, zoals de Europese minister van buitenlandse zaken en de president van de Raad, vormden inkoppers voor de tegenstanders, die niet hebben nagelaten deze functies ten onrechte af te schilderen als iconen van een Europese superstaat.

De euro-fabel was uiteindelijk de druppel die de emmer deed overlopen. Waar het Franse non-kamp munitie vergaarde met de dienstenrichtlijn van Bolkestein, werd het Nederlandse nee-kamp op zijn wenken bediend met het nieuws over de verkeerde introductiekoers van de euro. Minister Zalm kon met een CPB-rapport aantonen dat hier geen sprake van was, het kwaad was geschied. De tegenstanders grepen deze kans met beide handen aan om nogmaals het elitekarakter van Europa te onderstrepen en daar kon geen extra pro-campagne tegenop: het was folderen tegen de klippen op.

Het ja-kamp had tenslotte zijn laatste hoop gevestigd op Frankrijk. Als zelfs dit nationalistische land met een 'oui' zou kiezen voor een verbetering en verdieping van de Europese samenwerking, zou het Nederlandse 'ja' een belangrijke impuls krijgen. Afgelopen zondag werd met een Grand Non, uit afkeer van het nationale beleid, duidelijk dat de stemming in Frankrijk niet wezenlijk anders was dan hier. Het resultaat is dat de Grondwet op de schroothoop is beland en dat de Nederlandse exercitie van vandaag overbodig is. De belangrijkste les is dat een open en eerlijke communicatie over de Europese samenwerking onontbeerlijk is. Dit lijkt met dit referendum voorzichtig op gang te zijn gekomen.