Research

Articles

Obama moet Iran onder druk zetten

17 Dec 2008 - 10:43
Bij de onderhandelingen over het atoomproject van Iran, kan Barack Obama leren van de Europese ervaringen met de ayatollahs, betoogt Alfred Pijpers.

Een van de meest onheilspellende internationale vraagstukken die president Barack Obama op zijn bord aantreft, vormt het Iraanse atoomproject. Iran werkt, in strijd met de internationale voorschriften, al jaren aan een nucleair programma dat binnen afzienbare tijd kan uitmonden in de fabricage van kernwapens. Volgens algemeen aanvaarde schattingen, waaronder die van de directeur-generaal van het Internationale Atoom- en Energie Agentschap, Mohamed El Baradei, kan dat al rond 'the turn of the decade' (dus 2010) het geval zijn.

De internationale gemeenschap, de Europese Unie voorop, is al jaren bezig het gevaar af te wenden. Tot nu toe tevergeefs. De regering in Teheran trotseert de bindende sancties van de Veiligheidsraad en heeft herhaaldelijk en nadrukkelijk te kennen gegeven haar nucleaire activiteiten, die zijzelf als vreedzaam bestempelt, onverkort voort te zetten. Economische dwangmiddelen sorteren niet het vereiste effect.

Het is zeer onwaarschijnlijk dat de Veiligheidsraad ook militaire strafmaatregelen tegen Iran zal goedkeuren, gelet op de Chinese en Russische bezwaren daartegen. De totstandkoming van een Iraanse kernmacht is dus een kwestie van tijd. En die tijd dringt.

Een Iraans atoomarsenaal vormt een groot veiligheidsrisico voor alle staten in het Midden-Oosten en het Golfgebied, en voor de Amerikaanse belangen in de regio. Voor Israël vormt zo'n kernmacht, in combinatie met de openlijke uitlatingen van de hoogste Iraanse leiders om de Joodse staat van de kaart te vegen, zelfs een existentiële bedreiging.

Van groot belang is wat de nieuwe Amerikaanse president gaat doen in de komende maanden. Tijdens zijn verkiezingscampagne heeft Barack Obama aangegeven militaire opties tegen Iran niet uit te sluiten, maar hij wil eerst praten met de Iraanse leiders, zonder harde voorwaarden vooraf. Sommige van zijn adviseurs pleiten voor een geheel nieuw 'engagement' waarbij de non-communicatiepolitiek van Bush en zijn voorgangers wordt omgezet in overleg over een breed scala van wederzijdse aangelegenheden, zonder de dreiging met een militair ingrijpen. In Washington wordt gehoopt op een grand bargain waarbij Teheran, in ruil voor afspraken op nucleair gebied en bijvoorbeeld inschikkelijkheid bij allerlei conflicten in het Midden-Oosten (Irak, Afghanistan, Israël-Palestina-Syrië-Libanon), grootscheepse economische en technische hulp wordt geboden, alsmede veiligheidsgaranties.

Nu de VS zich directer met Iran gaan bemoeien, zal Europa zich wat terughoudender moeten opstellen. Maar op een aantal punten zal de EU, die sinds 2003 de onderhandelingstactiek van de ayatollahs aan den lijve heeft ondervonden, Washington toch bij de les moeten houden.

Om te beginnen, zullen zij het enthousiasme van de Obama-adviseurs moeten temperen. Constructief engagement klinkt sympathiek, maar juist die benadering heeft de EU beproefd in haar besprekingen met de Iraanse regering. Teheran is de afgelopen vijf jaar door de Europese diplomaten met groot respect tegemoet getreden, langs keurige multilaterale weg, met royale aanbiedingen voor economische en technische samenwerking (naast economische sancties) en zonder enige vorm van militaire dreiging. Die diplomatie is door de ayatollahs slechts aangegrepen om tijd te rekken voor de opbouw van hun nucleaire programma, zonder op dit punt substantiële concessies te doen. De opperste leider van Iran, Ali Khamenei, heeft dat onlangs openlijk toegegeven.

Verder is een bredere agenda, waarbij ook de rol van Iran in Afghanistan en Irak ter sprake komt, of de Iraanse steun aan Hezbollah en Harnas, zeker nuttig, mits de stopzetting van het kernprogramma de hoogste prioriteit blijft houden in de Amerikaanse diplomatie. In hun zucht naar koerswijziging lijken de Obama-adepten dit wel eens uit het oog te verliezen.

Het bilateraal overleg tussen Iran en de VS mag er ook niet toe leiden dat de bindende sancties van de Veiligheidsraad terzijde worden geschoven. In een pas verschenen rapport van de prestigieuze, Obama zeer welgezinde, Council on Foreign Relations in New York, wordt met geen woord meer gerept over sancties tegen Iran. Dan kun je gelijk het Non-Proliferatieverdrag aan de wilgen hangen.

In de vierde plaats moet een tijdslimiet worden ingebouwd. De Amerikanen hebben even nodig om een kantoor of wellicht ambassade in Teheran te vestigen, contacten te leggen op verschillende niveaus, en bijvoorbeeld een speciale Iran-gezant aan te stellen, maar Washington zal moeten beseffen dat tijd rekken een wezenlijk Iraans belang is. Wachten op de presidentsverkiezingen van juni 2009, in de hoop dat er dan een gematigder figuur aantreedt dan Mahmud Ahmadinejad, heeft weinig zin, omdat niet de Iraanse president, maar de opperste religieuze leider Ali Khamenei al zo'n twintig jaar de drijvende kracht is achter het Iraanse atoomprogramma.

Zolang de gesprekken tussen Washington en Teheran duren, is een Israëlisch militair ingrijpen niet waarschijnlijk, maar speculaties hierover steken voortdurend de kop op. Achtereenvolgende regeringen in Jeruzalem hebben aangegeven dat zij niet kunnen leven met een Iraanse bom, ook niet in een situatie van wederzijdse afschrikking. Het ministerie van Defensie heeft het kabinet deze maand nog geadviseerd militaire maatregelen tegen Iran voor te bereiden, mochten de besprekingen die Obama gaat opzetten niet tot een bevredigende uitkomst leiden. De Israëlische luchtmacht wordt door deskundigen in staat geacht in ieder geval een deel van het Iraanse atoomprogramma uit te schakelen.

Op een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten zit niemand te wachten. Maar om die te voorkomen, moet de nieuwe ploeg van Barack Obama Teheran wel de duimschroeven aandraaien, met actieve steun van de EU en de rest van de internationale gemeenschap.