Onthoud de woorden ‘best interest’. ‘It would not be in the best interests of the United States to immediately change our assistance programs to Egypt,’ zei Witte Huis-woordvoerder Jay Carney nadat het Egyptische leger begin juli president Morsi had afgezet.
En na de schietpartijen vorige week viel de term weer. ‘We’re not going to designate the interim government as a coup because it’s not in the best interests of the United States,’ zei nu collega Josh Earnest, eveneens namens het Witte Huis. Ook Obama zelf vermeed angstvallig het c-woord. Geen militaire coup dus.
En ter herinnering: in 2011 vond Obama, vlak nadat de moedige menigte zich op het Tahrirplein had gewaagd en een eind aan de dictatuur eiste, het niet ‘in our best interest’ om het aftreden van dictator Moebarak te suggereren. En hij sprak zich op dat moment ook nog niet uit voor vrije verkiezingen in Egypte, die moesten ‘goed voorbereid’ worden en dat mocht best nog een half jaar duren. Wél in the best interest op dat moment was het bliksemsnel invliegen van een blik hoge Egyptische officieren naar Washington, niet om over democratie maar om over stabiliteit in de regio te overleggen.
Dat geeft maar weer aan dat het primaat van high politics nog altijd bestaat. Obama gebruikt het c-woord niet, omdat de consequentie zou zijn dat de VS dan de militaire hulprelatie met Caïro moeten afbreken. Dat is een brug te ver.
Als u me vraagt of dat goed of slecht is, word ik bescheiden.
Is behoud van die relatie tussen de VS en Egypte alleen in the best interest van de VS, of misschien ook in die van ons? Als het alleen om de VS zou gaan, kon ik de vraag fijn van me afduwen. Met bijbelse bevlieging zou ik morgen de rechtsstaat en eerlijke verkiezingen in Caïro eisen. Als ik de luxe had om me alleen maar druk te maken over het vakantieplezier van Nederlandse toeristen in Hurghada, zou ik Egypte straffen met een negatief reisadvies en die generaal al-Sisi eens even flink in zijn portemonnee treffen. Of een bierboycot afkondigen, want zelfs onder de Moslimbroeders heeft ons Heineken omhoog weten te sluipen tot marktleider in de Nijldelta.
Maar Egypte is meer dan een resort waar een biertje geschonken wordt.
Eind juni somde een rapport van het onderzoeksbureau van het Amerikaanse Congres nog eens op waar het om gaat: ongehinderde doorvaart voor Amerikaanse oorlogsschepen door het Suezkanaal, waar schepen van andere landen met wachttijden en bureaucratie te kampen hebben. Van cruciaal belang voor crisisbeheersing of erger in de Perzische Golf en de Indische Oceaan. Voeg daar gerust aan toe dat de VS ook precies weet welke buitenlandse (lees: Iraanse, Russische) schepen zich door het Suezkanaal wringen. Egypte is sinds 1979, na Israël, met 72 miljard dollar de op één na grootste hulpontvanger van de VS. Daarvan is meer dan veertig miljard militair. De militaire hulp is niet zomaar een gift, maar het cement van het Camp David-vredesakkoord dat voor vrede tussen Israël en zijn buurlanden zorgt.
Het rapport schat dat liefst tachtig procent van de spullen die de Egyptische strijdkrachten aanschaffen uit Amerikaanse hulpdollars wordt gefinancierd, weer anders gezegd: bijna een derde van het gehele Egyptische defensiebudget.
Dit schreeuwt dus om een antwoord op de vraag wat er eigenlijk klopt van die veronderstelling dat je met militaire hulp buitenlandse invloed kunt kopen. In totaal geven de VS tussen de tien en vijftien miljard dollar per jaar uit voor dat doel. Bijna de helft daarvan gaat in de vorm van directe wapenhulp naar zestig landen. Drie Amerikaanse onderzoekers die in 2011 alle militaire hulprelaties sinds 1990 analyseerden, komen tot verrassende conclusies. Militaire hulp leidt níet tot coöperatief gedrag van de ontvanger. Integendeel, de relatie is pervers, militaire hulp leidt eerder tot Amerikaanse afhankelijkheid, want de ontvanger lijkt zich juist belangrijk te voelen voor de VS en gaat zich daarnaar gedragen.
Dat maakt me minder bescheiden, het lijkt me in the best interest om de militaire hulprelatie te herzien.