Research

Articles

Rigide economisch beleid Europa duwt euro omlaag

15 Mar 2006 - 00:00
Het rigide beleid in landen als Duitsland en Frankrijk staat haaks op de afspraken in Lissabon om van Europa een dynamische economie te maken. Dat drukt de euro, stelt Hans Labohm.Verwacht werd dat de invoering van de chartale euro wereldwijd tot een groeiend vertrouwen in deze munt zou leiden en tot een hogere koers van de euro ten opzichte van de dollar. Dat gebeurde ook eventjes. Vlak voor de jaarwisseling steeg de euro tot een piek van zo'n $ 0,91. Maar alras zakte de euro weer naar een lager niveau van zo'n $ 0,86-$ 0,87 nu. Het blijft gissen naar de krachten die de hoogte van de euro bepalen. Maar het is plausibel om aan te nemen dat de perceptie van de markten van de relatieve dynamiek van de Europese economie vergeleken met de Amerikaanse hierbij een belangrijke rol speelt.

Het is nog maar nauwelijks twee jaar geleden dat de Europese Unie in een euforische stemming verkeerde. Op de Eurotop van Lissabon, in maart 2000, hechtten de regeringsleiders hun goedkeuring aan een verklaring waarin de EU zich tot doel stelde om in het komende decennium 'de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang'. Alhoewel de VS nergens met name werden genoemd in de verklaring lag de implicatie voor de hand: Europa zou het beter moeten gaan doen dan de VS.

Maar de werkelijkheid is anders. De twee belangrijkste Europese economieën, Duitsland en Frankrijk, zijn in mineur. Vormt dit de weerslag van de negatieve ontwikkeling in de wereldeconomie, of zou het nationale beleid aldaar er ook iets mee te maken hebben? Waarschijnlijk beide.

De Franse premier, Lionel Jospin, die als ex-Trotskist weinig affiniteit heeft met de neo-liberale koers van 'Lissabon', heeft een aantal maatregelen gericht op 'sociale modernisering' genomen, die bepaald niet van een marktvriendelijke attitude getuigen. Een van de belangrijkste daarvan was wel de invoering van de 35-urige werkweek. Het Franse bedrijfsleven, dat daartegen onoverkomelijke bezwaren had, heeft daarbij uiteindelijk bakzeil moeten halen. Voorts heeft de Franse regering onlangs een voorstel ingediend waarbij het ontslagrecht zou worden ingeperkt. Bedrijven zouden alleen nog maar mogen ontslaan wanneer zij in ernstige moeilijkheden zouden komen die niet op andere wijze zouden kunnen worden opgelost, of wanneer zij zouden worden geconfronteerd met technologische verandering die het voortbestaan van de onderneming bedreigde, of wanneer reorganisatie onoverkomelijk zou zijn om een bankroet te voorkomen. Dit voorstel sneuvelde gelukkig in december door een uitspraak van het Franse constitutionele hof dat bepaalde dat dit voorstel in strijd was met de vrijheid van ondernemen. Verder heeft de Franse regering zich uitgesproken vóór de Tobin-tax: een heffing op internationale kapitaaltransacties om de valutafluctuaties en wisselvalligheid van internationale kapitaalstromen wat in te dammen. Dat is opmerkelijk want de Franse minister van financiën en de gouverneur van de Franse centrale bank hebben in juli 2001 in Rome nog een G7-verklaring onderschreven waarin deze belasting op goede gronden werd verworpen.

Ten slotte behoort Frankrijk tot een van de voorvechters van het verdrag van Kyoto dat gericht is op de vermindering van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen, hetgeen eveneens grote negatieve consequenties kan hebben voor de vrijheid van ondernemen.

Het Duitse economisch front biedt een overeenkomstige aanblik. Het Duitse bedrijfsleven klaagt er reeds jarenlang over dat het geen gehoor krijgt bij de regering voor de talloze moeilijkheden waarmee het wordt geconfronteerd. Dat was reeds onder Helmut Kohl het geval. Deze had uitsluitend oog voor de hogere politiek en toonde zich weinig ontvankelijk voor de wensen van de ondernemers. Aan het einde van het tijdperk-Kohl ontstond de merkwaardige en verrassende situatie dat het Duitse bedrijfsleven zich wendde tot de linkse denktanks, die Schröder van economisch advies dienden, omdat het daar wél een willig oor vond voor sociaal-economische hervorming. Inmiddels zijn deze wittebroodsdagen ook weer voorbij. Dat wat het 'Neue Mitte' had moeten worden, is nog te veel in het 'Alte Linke' blijven steken. De Duitse bondskanselier Schröder vertelde destijds dat hij het niet verdiende te worden herkozen als hij er niet in zou slagen de werkloosheid flink naar beneden te krijgen. Het 'Bündnis für die Arbeit' - een soort kloon van de Nederlandse SER - zou hierbij een belangrijke rol dienen te spelen. Inmiddels is de Duitse werkloosheid weer belangrijk toegenomen, tot 10,4% van de werkende bevolking. Dat is een forse stijging vergeleken met het dieptepunt van 7,7% van oktober 2000.

Maar ondanks dat is voor de Duitse vakbeweging het woord 'loon-matiging' nog steeds taboe. Wat 'Kyoto' betreft heeft het Duitse bedrijfsleven, inclusief bedrijven als Thyssen Krupp, Bayer en Basf, eind november in een brief aan bonds-kanselier Schröder duidelijk gemaakt dat de 'Draft Guidelines for Emissions Trading at the Company Level for CO2' van de Europese Commissie tot ondraaglijke extra lasten voor de Duitse industrie zouden leiden. In een bijlage bij deze brief wordt toegelicht dat dergelijke voorstellen een boete betekenen voor bedrijven die tot uitbreiding overgaan en een beloning voor bedrijven die inkrimpen of sluiten. Dit zou tot een uittocht van bedrijven uit Duitsland kunnen leiden. Een ander bezwaar is dat een en ander zou leiden tot gecentraliseerde productie-, werkgelegenheids- en investeringscontroles vanuit Brussel.

Het voorgaande biedt slechts een willekeurige greep uit de talloze maatregelen die ongetwijfeld met de beste sociale bedoelingen worden overwogen en genomen, maar die een duurzaam negatief effect op de dynamiek van de Europese economie hebben en daarmee ook op de werkgelegenheid. Conclusie: als dat zo doorgaat, lijkt een versterking van de euro ten opzichte van de dollar weinig waarschijnlijk.