Rusland gaat niet akkoord met de resolutie tegen Syrië, omdat het, na de resoluties tegen Libië, een rekening te vereffenen heeft.
Terwijl de impasse in de Veiligheidsraad rond de situatie in Syrië voortduurt, wordt één ding in ieder geval duidelijk. De prijs die de westerse landen moeten betalen voor de ruim geïnterpreteerde resoluties ten aanzien van Libië vorig jaar is hoog. Afgelopen jaar kreeg het in 2005 aangenomen beginsel 'Responsibility to Protect' (R2P) eindelijk handen en voeten, gezien de verschillende verwijzingen ernaar in Veiligheidsraadresoluties over de situatie in Ivoorkust en Libië. Maar het enthousiasme daarover wordt niet door iedereen gedeeld.
Over de aangenomen resoluties tegen Libië hadden Rusland en China niet hun veto uitgesproken, maar zich onthouden van stemming. Dit gebeurde echter schoorvoetend en onder protest. Belangrijkste kritiek was dat het geweldsmandaat onvoldoende afgebakend was. Wat wel of niet toegestaan was onder het mom van het beschermen van de burgerbevolking was niet duidelijk, en dat was precies wat de westerse landen graag wilden. Hiermee kon immers toch bijgedragen worden aan regime change, terwijl juist dat het laatste was waarvoor China en Rusland de weg wilden vrijmaken. Het succes van de missie in Libië, en de vreugde om het feit dat soevereiniteit niet langer iets is waarachter staten zich kunnen verschuilen, maar dat die ook verplichtingen met zich meebrengt waarop een staat door de internationale gemeenschap kan worden aangesproken, droegen eraan bij dat het Westen de onderliggende bezwaren van Rusland en China onvoldoende in ogenschouw nam.
In het kader van de discussies die nu in de Veiligheidsraad gevoerd worden over de situatie in Syrië, komen deze bezwaren echter weer prominent naar voren. Nog afgezien van de belangrijke relaties die Rusland met Syrië heeft, speelt vooral het principiële punt dat Rusland en - in' mindere mate - China zich liever verre houden van inmenging in de interne aangelegenheden van een land. Uiteraard heeft dit te maken met de angst hiermee een voorschot te nemen op ongewenste bemoeienis van de internationale gemeenschap met de eigen interne politiek.
Maar als dat het enige was, viel er misschien nog zo aan de resolutie te sleutelen dat ook China en Rusland ermee zouden kunnen leven. Het huidige voorstel is echter al zeer voorzichtig. Het initiatief tot de tekst komt van de Arabische Liga, en niet van de Verenigde Staten en bondgenoten. Opvallend en niet gebruikelijk is het feit dat het gaat om een nietbindende, zogenoemde hoofdstuk VI-resolutie, waarbij enkel opgeroepen wordt om het geweld te staken en over te gaan tot democratische hervormingen. Er is geen sprake van het instellen van sancties, zoals dat bij een hoofdstuk VII-resolutie wel het geval zou kunnen zijn.
Desondanks zet Rusland de hakken in het zand, ondanks de nadrukkelijke verzekering van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Hillary Clinton, dat het hier niet om een kopie van de situatie in Libië gaat. Hier wordt duidelijk nog een rekening vereffend na de ruim geïnterpreteerde resoluties ten aanzien van Libië. De boodschap van Rusland neemt bovendien vast een voorschot op de discussies met betrekking tot het dossier Iran: Rusland laat zich niet dicteren.