Research

Articles

Sterke Berlijnse republiek zal Frans-Duitse motor oppeppen

15 Mar 2006 - 00:00
Na de Eurotop in Nice is de conclusie getrokken dat de Frans-Duitse motor niet goed meer werkt. Volgens A.E. Pijpers berust die waarneming op een onjuiste diagnose en is het nog te vroeg een leidinggevende rol van Parijs en Berlijn af te schrijven.Het valt wel op dat de Frans-Duitse motor hapert, maar het is minder duidelijk wat de oorzaak van de mankementen is. Veel commentatoren suggereren dat Duitsland na de hereniging te sterk en te zelfbewust is geworden om zich nog langer door Frankrijk te laten ringeloren. Duitsland is, volgens deze gedachtengang, een 'normaal' land geworden; de noodzaak van een voortdurende Ausgleich met Frankrijk is verdwenen.

Ook als aanjager van de Europese integratie heeft de Frans-Duitse samenwerking aan betekenis ingeboet. Zelfs als de verstandhouding tussen Berlijn en Parijs zou verbeteren, kunnen de twee nooit meer de voortrekkersrol vervullen die zij in het verleden hadden, zo wordt gesteld.

Deze voorstelling van zaken vraagt om een paar kanttekeningen. Om te beginnen is de kern van de diagnose onjuist. De oorzaak van de Frans-Duitse malheur in de afgelopen jaren is niet de toegenomen Duitse kracht, maar veeleer het omgekeerde: de ingetogenheid van de Berliner Republik. De regering Schröder-Fischer is van meet af aan opgeslorpt geweest door grote interne problemen: de bestrijding van de werkloosheid; de hervorming van het sociale beleid en van het belastingstelsel; de ingrijpende herstructurerring van de Bundeswehr, het rechts-extremisme in vooral het oosten van Duitsland. Het Kohl-schandaal is natuurlijk niet primair de verantwoordelijkheid van de rood-groene coalitie, maar het zet wel een domper op de Duitse politiek, en is een symptoom van een nog steeds onzekere identiteit.

Door al deze interne problemen is de Duitse regering van sociaal-democraten en groenen nauwelijks toegekomen aan de krachtige, zelfbewuste rol in Europa die haar is toebedacht. Bij de vormgeving van de Europese defensie bijvoorbeeld speelt Berlijn slechts een secundaire, zo niet ondergeschikte, rol. Alleen tijdens het Duitse EU-voorzitterschap (eerste helft 1999) manifesteerde zich een voorzichtig leiderschap, zowel tijdens de top in Berlijn (over de financiën van Europa) als later ook op de Balkan. Fischers federale blauwdrukken hebben het gebrek aan Duitse daadkracht niet kunnen verhullen.

Vermoedelijk is het deze ingetogenheid, veeleer dan enigerlei Duitse assertiviteit, die de Frans-Duitse samenwerking, en tegelijkertijd ook de Europese integratie op een laag pitje hebben gezet. Het Franse beleid was er na de oorlog altijd op gericht om een potentieel Duits machtssurplus in Europa te neutraliseren via communautaire regelingen en instellingen. De mijlpalen in het Europese integratieproces (zoals gemarkeerd door de Verdragen van Parijs, Rome en Maastricht) werden niet primair bepaald door een dwingende economische logica of door federale vergezichten, maar door die sectoren waarin een Frans-Duitse machtsverevening geboden was.

Eerst kolen en staal, toen een gemeenschappelijke markt met een protectionistisch - en geldverslindend - landbouwbeleid ten behoeve van de Franse boeren, dan de euro. Zolang de Berliner Republik een ietwat provincialistische aanblik biedt bestaat er voor Parijs geen dringende behoefte om het Duitse potentieel opnieuw aan Europese banden te leggen.

Behoort de Frans-Duitse dynamiek daarmee tot het verleden? Die conclusie is na 'Nice' wel vaak getrokken. Maar de zeer magere uitkomst van deze Europese top kan ook uitgelegd worden als een bewijs dat zonder een substantieel Frans-Duits vergelijk de Europese integratie minimale vooruitgang boekt. Tevens mag worden vastgesteld dat het fameuze 'netwerk-Europa' van de 'open samenwerking' en de 'wisselende coalities' kennelijk geen recept vormt voor een geslaagde institutionele verdieping.

De omstandigheden voor een voortgezette Frans-Duitse sleutelrol zijn ongewijfeld veranderd. De interne markt dringt door tot in alle uithoeken van het economische en maatschappelijke leven. Er is nu Europese samenwerking geboden op gebieden zoals misdaadbestrijding, vreemdelingenverkeer, fiscale harmonisatie, de regulering van de elektronische handel, of de verdere vrijmaking van de financiële dienstverlening, onderwerpen die weinig raakvlakken meer hebben met de Frans-Duitse politiek. Nieuwe, vaak informele integratievormen tussen diverse groepen landen hebben de traditionele clustering rond de Frans-Duitse kern vervangen, of althans aangevuld.

In een veld met vijftien, twintig, en uiteindelijk 27 spelers, zijn de regels anders dan die voor een club van zes. Globalisering en privatisering stellen geheel nieuwe eisen aan de Europese integratie dan de omstandigheden van een halve eeuw geleden. Maar toch. De Frans-Duitse samenwerking is in politiek en institutioneel opzicht veel intensiever dan welke andere bilaterale relatie ook. Zij stelt de Duits-Britse contacten bijvoorbeeld geheel in de schaduw, hoe hartelijk de betrekkingen tussen Schröder en Blair ook mogen zijn. De nauw met elkaar vervlochten Franse en Duitse economieën zijn samen goed voor meer dan 50 procent van het Bruto Nationaal Product in de gehele euro-zone (van twaalf EU-landen).

Belangrijker nog is dat de wat introverte Berliner Republik nieuwe vleugels kan krijgen als de Duitse economie op krachten komt, en de uitbreiding van de Europese Unie zijn beslag krijgt. Dan zal een regionale supermacht de lakens gaan uitdelen in Midden- en Oost-Europa, het primaat verwerven van de betrekkingen met Moskou, en van lieverlee ook de voornaamste gesprekspartner worden van Washington.

Voor Parijs wordt het dan misschien weer aantrekkelijk om via de beproefde Europese kanalen de Duitse aspiraties aan banden te leggen, teneinde zo zelf de nodige invloed te kunnen houden in een gebied waar het vele historische belangen heeft. Dat zou kunnen resulteren in een gemeenschappelijk Europees beleid jegens de desbetreffende landen, Rusland incluis. Zoiets zal natuurlijk mede afhankelijk zijn van de Duitse bewilliging.

Of deze aloude integratiereflex tussen de beide Europese hoofdrolspelers nog zal werken moet worden afgewacht. Maar het is te vroeg om een leidinggevende Frans-Duitse rol definitief af te schrijven.