In de keurige Haagse Vogelwijk gebeurde vroeger niets wat de kranten haalde. Iedereen las daar 's avonds Het Vaderland, een dagbladtitel die al aangaf waar de horizon lag in die dagen. Op bedaarde wijze werden Drees en De Quay geobserveerd, de burgerij interesseerde zich voor de wederopbouw in eigen kring, dwarse opvattingen waren niet aan dat doel besteed. Columnisten vloekten niet en waagden zich niet aan satire, mijn ouders vermaakten zich met schalkse observaties van Hendrik Hagenaar en Flaneur, die de revolutie niet predikten.
Twee overburen waren de braafste en onopvallendste van al die fatsoenlijke medeburgers. Dat waren kennissen van mijn ouders maar wij mochten ze tante Nel en oom Kees noemen. Als de revolutie al niet in de Haagse Sijzenlaan begon, dan helemaal niet bij tante Nel en oom Kees, bij wie alles rein en afgestoft was, het gazon kortgemaaid, de thee om vier uur op tafel. Ze waren welgesteld maar bescheiden, een jaloersmakende zwarte Citroën Traction Avant stond elk weekend gepoetst in de garage en mocht door mij niet aangeraakt maar wel zo vaak als ik wilde bezichtigd worden. Oom Kees was ingenieur bij Adriaan Volker - een bedrijf in het Rotterdamse dat, voor zover ik begreep, goed was in het aanleggen van bruggen en andere waterwerken - en ik vond hem behalve aardig ook zeer knap. Ik vond het intrigerend dat Adriaan Volker om de een of andere reden 'koninklijke' Adriaan Volker heette, dat klonk nobel en zulks leek me bij iemand als die aimabele en beschaafde oom Kees - die ook nog een dubbele achternaam had - zeer op zijn plaats. Het waren de meest ingetogen, beminnelijke en toch hartelijke mensen die ik kende.
Hoewel geen familie, sloegen ze geen verjaardag over en kwamen ze elke keer als het weer zover was met een cadeautje voor de dag. Lezen en ontspanning waren goed voor de ontwikkeling van de jeugd, dus de cadeaus waren evenwichtig samengesteld. Ik herinner me een indianentooi én een boek over de geschiedenis van de indianen in Noord-Amerika, waarin deze nu eens niet, zoals in populaire strips, als wrede roodhuiden werden afgeschilderd - nee, in de betere jeugdliteratuur waren de wreedaards juist de vrije blanke jongens die oprukten naar het verre Westen.
Afgelopen weekend schoot me vanwege de verkiezingen in Myanmar nog een verjaardagscadeautje met een boodschap te binnen. De ontbolstering van dat land nu plaatst me voor raadsels en dat bracht me terug naar een boek dat ik kreeg toen ik negen werd. Het ging over Stuntvlieger Kalle, die met zijn straaljager de strijd aanging met foute opstandelingen in een ver land dat me totaal onbekend was: Birma. Hoewel de slechteriken 'spleetogen' hadden en gedoodverfde verliezers waren, vonden tante Nel en oom Kees dat een jeugdboek niet alleen spannend maar ook leerzaam moest zijn en dat het belangrijk was te weten dat er buiten de Vogelwijk ook plaatsen in de wereld waren waar het leven minder rustig was.
En dan was er vorige week nog een reden om aan hen te denken, toen ik hoorde dat de VVD er om de gevreesde blonde populist te gerieven nog eens een miljard ontwikkelingshulp afhakt. Na een geruisloze pensioengang gingen oom Kees en tante Nel - beiden hartstochtelijk aristocraat en liberaal - iets overzee doen, in een Arabisch land dat ik alleen uit Kuifje in de Sahara kende, waar dadels vandaan kwamen en waar hij kennelijk weleens een brug had gebouwd en over de markt had gedwaald. Dat bleek Tunesië te zijn.
Daar was Oom Kees, die bescheiden maar niet verlegen was, op een van zijn reizen in gesprek geraakt met een aardige jongeman die vijftig jaar later Mohammed Bouazizi had kunnen heten. Hij was getroffen door de armoede en uitzichtloosheid van de jongen, die werk voor zichzelf en verheffing van zijn familie en dorpsgenoten zocht.
Oom Kees vond het bouwen van bruggen ook na zijn werkzame leven een burgerplicht. Hij vergeleek de kansen die hij zelf had gehad met die van de jonge Tunesiër en besloot met zijn niet geringe spaarkapitaal een 1961-versie van de Arabische Lente te financieren. Microkrediet heette dat vijftig jaar later. 'Ik kom elk jaar terug om te kijken of ik ermee doorga,' was zijn enige voorwaarde, maar verder schonk hij Mohammed zijn vertrouwen en beloofde hij er, zo lang het leven hem dat gunde, op vakantie en inspectie te gaan. Want ontspanning en ontwikkeling horen samen te gaan, vond hij.