Research
Articles
Te weinig slagkracht voor Nederlandse deelname aan Europese legermacht
De Defensienota 2000 voorziet echter niet in deze nieuwe ambities. Op zee is er weliswaar voldoende slagkracht, voor de land- en luchtmacht schiet Nederland fors tekort.
Begin december lanceerde minister van Defensie De Grave zijn voorstel voor een Europese maritieme macht en een Europees zeetransportcommando. Ook omarmde hij, met minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen, ineens het oorspronkelijk Brits-Franse plan voor een snel inzetbaar Europees legerkorps. Verbazing alom: eerder had de regering zich terughoudend opgesteld. Aan de vooravond van de Europese top in Helsinki op 10-11 december nam Den Haag plotsklaps het voortouw.In de Tweede Kamer ging een gejuich op bij de voorstanders van een Europese defensie, maar er was ook de nodige argwaan. Waarom maakte de Defensienota 2000, die enige dagen eerder was gepresenteerd, geen melding van de nieuwe voornemens? Welke bijdrage zou Nederland leveren aan een Europees legerkorps en wat waren de gevolgen voor de Nederlandse defensie-inspanningen?
Was het plan voor een Europese zeemacht niet ingegeven door binnenlands politieke overwegingen, namelijk om verdere aanslagen op de marine te voorkomen? Los van de diepere beweegredenen van de bewindslieden dringt zich inderdaad de vraag op hoe Nederland aan een Europese defensiecapaciteit gaat deelnemen.
De motie-Koenders, medio december door de Tweede Kamer aangenomen, verzoekt de regering een voorstel te doen over "een proportionele Nederlandse bijdrage" aan de in Helsinki vastgestelde doelstellingen; in 2003 moeten de Unie-lidstaten in staat zijn een legerkorps van maximaal 15 brigades, 50.000 tot 60.000 militairen, in te zetten voor crisis- en vredesoperaties.
Nederland draagt ruim 5% bij aan de totale Europese defensie-uitgaven. Volgens die verdeling zou een evenredige Nederlandse bijdrage aan een Europees legerkorps bestaan uit ongeveer 3000 militairen, een brigade.
De plannen van minister De Grave voorzien in deze uitbreiding van de krijgsmacht. Na uitvoering van de Defensienota zullen de Koninklijke landmacht en het Korps Mariniers twaalf gevechtsbataljons kunnen inzetten. Daarmee aal Nederland in staat zijn permanent een brigade aan een Europees legerkorps te leveren, ook voor vredesoperaties zoals in Bosnië-Herzegovina en Kosovo, waar een jarenlange aanwezigheid gegarandeerd moet worden.
Financiële beperkingen
Twaalf bataljons lijken voldoende voor de Europese defensieambities. Maar Nederland heeft meer verplichten dan de Europese alleen. Zo heeft de regering onlangs aangekondigd de bijdrage aan de SFOR-troepenmacht in Bosnië-Herzegovina uit te breiden, ten koste van deelname aan KFOR. Dat terwijl de Franse president Chirac heeft voorgesteld juist de KFOR-vredesmacht in Kosovo te vervangen door een troepenmacht onder leiding van de Europese Unie. Mocht Europa de KFOR-missie overnemen, dan kan Nederland daaraan geen proportionele bijdrage leveren omdat alle inspanningen zijn geconcentreerd op SFOR.
Verdere paraatstelling biedt de oplossing, maar op korte termijn zijn de mogelijkheden gering door financiële beperkingen en wervingsproblemen met nieuw personeel. De Tweede Kamer zou bij de behandeling van de Defensienota wél kunnen aandringen op vaststelling van doelstellingen voor de langere termijn, waarbij het streven gericht moet zijn op verdergaande paraatstelling van de landmacht.
Wat betreft marine en luchtmacht heeft Helsinki geen duidelijke doelstellingen geformuleerd. Bij nadere uitwerking van de vereisten voor autonoom Europees optreden ter zee lijken zich de minste problemen voor te doen. Op maritiem gebied beschikken de zeevarende Europese landen over aanzienlijke capaciteiten en dat geldt ook voor Nederland.
In de lucht schiet Europa evenwel fors tekort, zoals aangetoond tijdens de NAVO-luchtaanvallen in de Kosovo-crisis. De Europese landen zijn afhankelijk van de Verenigde Stalen wat betreft waarnemingssatellieten, gevechtsinlichtingen en commandoverbindingen in de lucht. Ook ontbreekt het Europa aan de benodigde capaciteiten voor elektronische oorlogvoering en aan precisiewapens, die een cruciale rol spelen bij moderne luchtaanvallen.
Hoewel Nederland tijdens het Kosovoconflict in de lucht een belangrijke bijdrage heeft geleverd verwachten de Verenigde Staten van hun Europese bondgenoten, waaronder Nederland, een grotere inspanning. Zeker als op korte termijn aanzienlijke middelen worden vrijgemaakt voor vervanging van de F16, blijft er financieel weinig ruimte voor verbetering van de Nederlandse inbreng.
Tot slot heeft Europa een tekort aan grote transporttoestellen en aan tankervliegtuigen. Modernisering van de Europese luchttransportvloot alleen zal investeringen vereisen ter grootte van f 50 mrd. Op dit gebied levert Nederland een minder dan proportionele inbreng. Uitbreiding van de aantallen transportvliegtuigen is in de Defensienota niet voorzien.
De plannen van de regering voorzien niet in investeringen. die noodzakelijk zijn wanneer Europa, in verhouding tot de Verenigde Staten, een meer evenwichtig deel van de defensie-inspanningen op zich wil nemen. Concentratie van Nederland op en Europese zeemacht biedt op korte termijn een uitweg, want hiervoor zijn nauwelijks extra middelen vereist.
Maar vredesoperaties vragen - zo leert de ervaring - vooral land- en luchtstrijdkrachten. Wanneer Nederland proportioneel wil bijdragen aan de Europese inspanningen, dan is aanpassing van de Defensienota vereist en zal Defensie een ruimere financiële jas moeten krijgen.