EU Forum

Terug naar Lissabon

29 May 2012 - 00:00

Als je in Europa een sociale agenda wilt hebben dan hebben we goud in ons handen met de Lissabon strategie, zegt Roland Zwiers, econoom bij de SER. Hij is het oneens met critici die zeggen dat de strategie niet sociaal genoeg is. Dank zij de drie pijlers sociale samenhang, productiviteit en duurzaamheid is dit de juiste agenda voor deze tijd.

[[{"type":"media","view_mode":"media_large","fid":"1967","attributes":{"height":253,"width":170,"class":"media-image media-element file-media-large"},"link_text":null}]]

Het Europese project krijgt steeds vaker negatieve etiketten opgeplakt. De interne markt, het Europese semester, de strenge toepassing van begrotingsregels, de aanpassingen in Griekenland, het wordt allemaal gezien in termen van afbraak van verworven sociale rechten. Ook Lissabon en Europa 2020 worden op deze hoop geveegd. Voor zover daar sociale en/of ecologische dimensies in voorkomen, zijn deze of naïef (het geld gaat toch voor) of innerlijk tegenstrijdig (je kan niet op drie doelen inzetten).
Het heeft mij altijd verbaasd dat Lissabon en Europa 2020 zwartgemaakt worden door natuurlijke bondgenoten. In onze globaliserende wereld is Europa vooralsnog de enige plek waar een triple-p benadering (people, planet, profit) kans van slagen heeft. Dan helpt het niet als maatschappelijke organisaties roepen dat Europa sociaal moet zijn, maar in wezen de handdoek in de ring gooien.

Nederland heeft in feite sinds 1982 de weg van Lissabon gevolgd. Met de lancering van de Lissabon-strategie in 2000 zijn wij daar mee doorgegaan. Het heeft ons geen windeieren gelegd. Op tal van Lissabon-indicatoren zoals bbp per hoofd, arbeidsparticipatie, jeugdwerkloosheid, armoede en geografische ongelijkheid laten wij uitkomsten zien waar de rest van Europa jaloers op is.

Waarom hebben andere landen het Nederlandse voorbeeld dan niet gevolgd? Het antwoord ligt waarschijnlijk besloten in een aantal kenmerken van de Nederlandse (overleg) economie.

In de eerste plaats is Nederland een kleine, open economie. Wij zaten al voor Lissabon in een quasi muntunie met de Duitse mark. Het is voor ons dus relatief vanzelfsprekend dat we in een concurrerende wereld onze boterham moeten verdienen. En dat we, om onze welvaart te blijven verdienen, ons moeten aanpassen aan de wereld om ons heen.

Een tweede reden is de werking van de overlegeconomie sinds 1982. De polarisatie van de jaren zeventig en de tweede oliecrisis hadden Nederland op de rand van de afgrond gebracht. Begin jaren tachtig zag de Nederlandse vakbeweging in dat bij dreigende massawerkloosheid het verdedigen van verworven rechten (de automatische prijscompensatie) niet langer voorop kon staan. Het motto werd steeds meer ‘werk boven inkomen’. Dit was een moedige stap van de Nederlandse vakbeweging; het werkgelegenheidsherstel liet nog jaren op zich wachten.

Een derde reden is dat Nederland vanaf 1990 avant la lettre aan zijn eigen Lissabon-strategie begon. In 1990 bracht de SER een unaniem advies uit over de Economische en Monetaire Unie. Belangrijkste vraag was hoe Nederland in een echte munt-unie zou kunnen floreren. De conclusie was eenduidig: bij een vaste wisselkoers, een beperkte grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit en een ingeperkte budgettaire beleidsruimte moet aanpassing vooral tot stand komen via een goede werking van de arbeidsmarkt en een beheerste ontwikkeling van de loonkosten. Dit inzicht wijst duidelijk vooruit naar de latere werkgelegenheidsrichtsnoeren van de Lissabon-strategie.

In een vervolg hierop kwam de SER in 1992 met het advies Convergentie en overlegeconomie. Dit leverde een aanmerkelijke verbreding en verdieping op van de Nederlandse Lissabon-strategie. Een eerste inzicht was dat Nederland moet inzetten op een breed welvaartsbegrip; het gaat niet alleen om geld verdienen, maar ook om werkgelegenheid, sociale cohesie en een goed milieu. Een tweede inzicht was dat zo’n drie-sporen strategie continu om afwegingen vraagt tussen rivaliserende belangen. Met als derde inzicht dat zulke afwegingen niet alleen aan marktwerking en/of overheidsingrijpen overgelaten kunnen worden. Voor een triple-p strategie moeten markt en overheid aangevuld worden met een derde coördinatiemechanisme: afstemming en overleg tussen overheid en sociale partners.
Tegen deze achtergrond hoeft het niet te verbazen dat de Nederlandse sociale partners in 2000 de Lissabon-strategie verwelkomden. Zij waren hier in eigen land al jaren mee bezig. En in een muntunie is het van groot belang dat alle deelnemende landen een strategie voeren waarbij concurrentievermogen, werkgelegenheid, sociale cohesie en een goede leefomgeving in een integraal kader worden bezien.

Terugkijkend is duidelijk dat veel eurolanden het Nederlandse voorbeeld niet hebben gevolgd. Zo hebben lang niet alle lidstaten sinds 2000 hun huiswerk gemaakt als het gaat om een goede werking van de arbeidsmarkt en een beheerste ontwikkeling van de loonkosten. In die landen is eerder voorrang gegeven aan het verdedigen van verworven rechten. En nu de eurocrisis ingrijpen onvermijdelijk maakt, wordt des te harder geroepen dat Europa de onderhandelingsvrijheid van sociale partners ondermijnt en dat ‘sociaal Europa’ op die manier een lege huls blijft.

In mijn ogen is het hoog tijd om zonder gêne de oorspronkelijke Lissabon-agenda weer op zijn merites te bezien. Een strategie waarbinnen de Europese Unie, de lidstaten en verantwoordelijke sociale partners samen werken aan een duurzame en sociale markteconomie . Ik zie geen aantrekkelijk alternatief. Terug naar Lissabon!