Research

Articles

Tijd niet rijp voor politieke poot ECB

15 Mar 2006 - 00:00
Nederland is tegen een formalisering van de euro-groep, de groep van twaalf ministers van financiën van landen die deelnemen aan de euro. Vooral Fransen denken daar heel anders over. Dit debat raakt de kern van de EMU, de Economische en Monetaire Unie. De gedachte is dat het economisch beleid - in het bijzonder het begrotingsbeleid - en het monetaire beleid in de pas dienen te lopen. Sinds de start van de EMU heersen er echter verschillen van opvatting over de inhoud van het economisch beleid. Volgens een minimalistische interpretatie gaat het slechts om de controle op de begrotingstekorten van de EMU-landen, die volgens de EMU-toetredingscriteria aanvankelijk niet hoger mochten zijn dan 3% van het bbp. Later is dit percentage in het Stabiliteits- en Groeipact teruggebracht naar 'dicht bij 0'. Maar vooral onder invloed van Frankrijk is het economisch beleid inmiddels opgevuld met tal van Europese beleidsinitiatieven ter bevordering van de Europese werkgelegenheid, die overigens buiten de eurogroep worden behandeld.

Twee Franse economen, Pierre Jacquet en Jean Pisani-Ferry gaan nog een stap verder. In een brochure, getiteld 'Economic policy coordination in the euro-zone' pleiten zij voor een formalisering van de eurogroep - die thans een informeel bestaan leidt - en toekenning van vérreikende bevoegdheden. Naast jaarlijkse begrotingstekorten zou de groep zich ook bezig moeten houden met langetermijnbegrotingsontwikkelingen, inclusief de verplichtingen aan pensioenuitkeringen, en het uitstippelen van een strategie om economische en financiële schokken op te vangen. Over de richtsnoeren zou de eurogroep bij meerderheid moeten besluiten.De eurogroep zou zich ook over de nationale begrotingsontwerpen dienen uit te spreken voordat deze door de regeringen aan de nationale parlementen worden voorgelegd. Daarnaast dient de eurogroep een effectief Europees wisselkoersbeleid te voeren op basis van gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming. De vice-voorzitter van de eurogroep - die altijd afkomstig zou moeten zijn uit een van de G7-landen - zou, naast de president van de ECB, de EU dienen te vertegenwoordigen op internationale monetaire bijeenkomsten.

De thema's die beide auteurs noemen verdienen zonder twijfel aandacht in de eurogroep, maar formalisering van deze groep en meerderheidsbesluitvorming zijn zeer prematuur. Dat geldt te meer als de in wezen Franse visie van de auteurs zou worden nagevolgd. Die visie doet het ergste vrezen.

De auteurs wijzen er op dat structuurbeleid de omvang van de productie beïnvloedt en daarmee ook het economisch klimaat waarbinnen de ECB de hoogte van de rente bepaalt. Als de eurozonelanden structurele hervormingen doorvoeren moeten zij er van op aan kunnen dat de ECB hiermee rekening houdt en ruimte maakt voor hogere groei door de rente te verlagen. Dat vooruitzicht op een lage rente vormt zodoende een aanmoediging voor regeringen om tot actie over te gaan, gegeven het feit dat structurele aanpassing vaak gepaard gaat met hoge economische en politieke kosten op korte termijn. Bijvoorbeeld, strengere criteria voor werkloosheidsuitkeringen zijn aanvaardbaarder in een periode van dynamische banengroei dan bij lage economische groei.

Deze gedachtegang is bizar. Allereerst omdat net wordt gedaan alsof structuurbeleid iets nieuws is dat nog moet beginnen. Maar 'structural adjustment' dateert al van de tweede helft van de jaren zeventig. Voorts, omdat een lagere rentevoet als lokkertje voor de landen moet dienen om nu eens ernst te maken met het structuurbeleid. Maar de ervaring leert dat structuurbeleid ook zonder dat rijpe vruchten afwerpt. Het succes van het Nederlandse poldermodel is bijvoorbeeld voor een groot deel bepaald door tal van maatregelen die tot een verbetering van de (arbeids)marktwerking hebben geleid. Renteverlaging door de Nederlandsche Bank speelde daarbij geen rol als lokmiddel.

Meer in het algemeen gaan de Franse auteurs er impliciet en expliciet van uit dat beleidscoördinatie op begrotingsgebied en andere terreinen van economisch beleid een positieve invloed heeft op het monetaire beleid en de externe waarde van de euro. Maar wat zal het effect zijn als dat beleid weliswaar gecoördineerd is, maar inhoudelijk slecht? Immers, economisch beleid komt niet in een politiek vacuüm tot stand. Te denken valt aan een scenario waarbij de traditionele nexus tussen vakbonden en politiek links, vooral in Duitsland en Frankrijk, druk uitoefent om te komen tot macro-economische stimulering door oplopende begrotingstekorten en monetaire accommodatie in plaats van structurele hervorming en marktconforme aanpassingen aan de nieuwe omstandigheden.

Gezien de risico's die daaraan zijn verbonden is het heel verstandig dat Nederland tegenstander is van meer bevoegdheden voor de eurogroep.