Research
Articles
Vaste Europese voorzitter is slecht voor Nederland
In de schaduw hiervan blijkt ook op welke punten de regering inbindt. Opmerkelijk en potentieel gevaarlijk is dat Frans Timmermans - staatssecretaris voor Europese Zaken - instemt met een vaste voorzitter van de Europese Raad. Nederland was juist altijd erg voor behoud van het roulerende voorzitterschap en had daarvoor ons inziens goede argumenten.
Het roulerende voorzitterschap geeft de lidstaten bij toerbeurt voor een half jaar de politieke leiding over de Europese Raad en over de vakraden. Het voorzitterschap leidt ook alle voorbereidende werkgroepen met de nationale ambtenaren en vertegenwoordigt de Unie in het Europees Parlement en in internationale fora.
Om dit goed te laten verlopen en overeenstemming tussen de lidstaten te bewerkstelligen, moeten legio bilaterale gesprekken worden gevoerd om duidelijkheid te krijgen over de precieze posities van landen. Het voorzitterschap is een prestigieuze positie, waarmee met name kleine landen extra invloed en aanzien kunnen verwerven, in de EU en internationaal.
Het systeem staat echter al 30 jaar ter discussie. Als tekortkomingen worden genoemd: te zware werklast - met name voor kleine landen, maar ook grote landen klagen hierover; discontinuïteit van agenda's; en de wisselingen van de personen die Europa internationaal vertegenwoordigen. De uitbreiding riep daarnaast twijfels op over de kundigheid van de nieuwe lidstaten om leiding aan de EU te geven en over het tijdsbestek tussen de voorzitterschappen (Nederland bijvoorbeeld was EU-voorzitter in 2004 en zal deze taak pas weer hebben in 2016).
Hiertegenover staan de vele voordelen: het roulerend voorzitterschap versterkt de aandacht voor de EU in het betreffende land, het maakt nationale politici direct verantwoordelijk voor de Europese beleidskoersen en het biedt de mogelijkheid nationale beleidsonderwerpen op de Europese agenda te brengen.
Dat het voorzitterschap meer is dan een symbolische functie, is gebleken uit de bijdrage van het Zweedse voorzitterschap aan de openheid van Europese besluitvorming, en van het Nederlandse voorzitterschap aan het versterken van de justitiële samenwerking. Tevens benadrukt roulerend voorzitterschap de gelijkheid tussen de lidstaten en geeft het (kleine) landen extra zichtbaarheid. Voor veel politici en ambtenaren is het voorzitterschap dan ook een hoogtepunt in hun loopbaan.
Nederland was tijdens de voorbereidingen van de Grondwet tegen een vaste voorzitter van de Europese Raad, maar heeft moeten toegeven in de onderhandelingen. De Grondwet presenteerde naast de vaste voorzitter van de Europese Raad ook een vaste voorzitter voor de vakraad waarin de ministers van Buitenlandse Zaken samenkomen. De overige vakraden zouden het roulerend voorzitterschap houden.
Nederland had vooral moeite met de vaste voorzitter van de Europese Raad, omdat deze positie door grote lidstaten zou kunnen worden gedomineerd. De voorzitter, gekozen door de regeringsleiders voor een periode van 2,5 jaar (één keer verlengbaar), zou daarnaast kunnen gaan concurreren met de voorzitter van de Europese Commissie, de traditionele bondgenoot van de kleinere lidstaten. Ook zouden afstemmingsproblemen zeer waarschijnlijk worden met het roulerende voorzitterschap van de vakraden en - belangrijk met het oog op de internationale slagkracht van de EU - met de 'Europese minister van Buitenlandse Zaken'.
Met een dergelijke opsplitsing van leiderschapsfuncties zal er juist meer verwarring ontstaan in de EU, en daarbuiten, over wie waarvoor verantwoordelijk is. Binnen de EU zal dit tevens het aanzien bij de burgers zeker niet vergroten.
Daarnaast is het risico groot dat met deze vaste voorzitters (er is ook al een 'Mister Euro' voor de ministers van Financiën uit de eurolanden) het politieke gewicht van het roulerende voorzitterschap als geheel wordt uitgehold. Met het reduceren van de betrokkenheid van de politieke top zal de politieke betrokkenheid van de lidstaten (regeringen en burgers!) bij het voorzitterschap kleiner worden.
De 'technocratisering' van het EU-voorzitterschap zou daarmee waarschijnlijk leiden tot een verdere afname van interesse in Europa in de nationale parlementen en bij de pers. Dit strookt niet met het streven naar meer politisering en grotere aandacht voor Europa in de nationale politieke contexten.
De onverwachte steun van de Nederlandse regering voor een vast voorzitterschap lijkt dan ook in de eerste plaats een geste aan het Duitse voorzitterschap om aan te geven dat het niet alle elementen van de Grondwet opnieuw in onderhandeling zal brengen. Dit zou meer onderhandelingsruimte kunnen geven om andere door Nederland gewenste punten binnen te halen, maar het brengt het Nederlandse belang in Europa op de langere termijn waarschijnlijk verder in gevaar.