Research

Articles

Vergrijzing stelt Europese munt zwaar op de proef

15 Mar 2006 - 00:00
Over de afgelopen jaren heeft de Europese Monetaire Unie (EMU) aan zware kritiek bloot gestaan, vooral vanuit de Angelsaksische wereld. De voorspoedige ontwikkeling van de EMU heeft deze kritiek tot dusver voor het grootste deel gelogenstraft. Maar de Angelsaksische sceptici geven niet op. Thans richten zij hun pijlen op de risico's voor de lange termijn. En het vervelende is dat hun kritiek in dit geval meer hout snijdt en niet zo gemakkelijk te pareren valt als voorheen.

Wat is het geval? In een artikel in 'Foreign Affairs' (maart/april 2000) wijzen Ferguson en Kotlikoff dat het EMU-convergentiecriterium van het maximale jaarlijkse begrotingstekort (oorspronkelijk 3% van het BBP en later met het zogenoemde Waigel-stabiliteitspact neerwaarts bijgesteld tot een evenwichtige begroting of overschot) eigenlijk geen goede maatstaf is om de begrotingssituatie van een land te beoordelen. In plaats daarvan zou men een be-grotingsevenwicht tussen de opeenvolgende generaties dienen te berekenen. Bij een dergelijke berekening gaat het erom te bepalen welke maatregelen nodig zijn om te verzekeren dat toekomstige generaties gedurende hun hele leven evenveel netto belasting (belastingen minus ontvangen overdrachtsuitgaven) betalen als de huidige generatie. Op basis van bepaalde projecties met betrekking tot de demografische ontwikkeling en economische groei blijkt dat voortzetting van het huidige beleid resulteert in steeds hogere belastingen voor toe-komstige generaties.

Indien de huidige begrotingstekorten van de EMU-landen met elkaar worden vergeleken dan doen sommige landen het goed (waaronder Finland en Nederland) en andere landen minder goed (bijvoor-beeld Portugal en België). Bij berekening op basis van het generatie-evenwicht verandert de pikorde voor sommige landen echter dramatisch. Portugal en België blijken zich dan bijvoorbeeld veel minder te hoeven aanpassen dan Finland en Nederland. Belangrijker is echter dat drie van de grote Europese economieën - Duitsland, Frankrijk en Italië - hun overheidsuitgaven (exclusief die voor onderwijs, want die worden als overdrachtsuitgaven beschouwd) met 22%-50% zouden moeten verminderen om een generatie-evenwicht tot stand te brengen. Voor Nederland bedraagt dit percentage bijna 29%. Zouden die landen echter kiezen voor algemene belastingverhoging in plaats van uitgavenreductie dan dient rekening te worden gehouden met stijgingen variërend van 6,9%-10,5% (Nederland: 8,9%). Hoe langer landen wachten met aanpassingsmaatregelen hoe hoger deze cijfers worden.

Wat te doen? Men zou natuurlijk kunnen redeneren dat de huidige generatie reeds (veel) meer belasting betaalt dan de voorgaande. Waarom zou deze trend zich in de toekomst niet mogen voortzetten? Bij duurzame groei wordt de levensstandaard nog steeds hoger en dat betekent dat toekomstige generaties netto nog steeds hetzelfde welvaartspeil kunnen genieten als de huidige. Maar dat is misschien al te lichtvaardig geredeneerd. Als men de doelstelling van het generatie-evenwicht accepteert, dan zijn er in beginsel tal van maatregelen denk-baar. Naast uitgavenvermindering, belastingverhoging en vermindering van de overdrachtsuitgaven (bijvoorbeeld pensioenen en uitke-ringen), valt te denken aan verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, arbeidsduurverlenging, verjonging van de bevolking door verhoging van het aantal geboorten en/of immigratie. Maar het is hoogst onzeker - op dit moment zelfs ondenkbaar - dat dit allemaal politiek of anderszins op korte termijn haalbaar is. Met andere woorden, er is een reëel probleem.

Maar wat heeft dat allemaal met de EMU te maken? Ferguson en Kotlikoff wijzen er op dat EMU-leden die met grotere moeilijkheden worden geconfronteerd dan andere binnen de ECB op een versoepeling zullen aandringen van het monetaire beleid om daardoor de inflatie aan te wakkeren. Aannemende dat uitkeringen en pensioenen nominaal gelijk blijven, zal hun reële waarde daardoor afnemen. Dat geldt ook voor de staatsschuld. Bovendien zullen de belastingbetalers door de progressiviteit van het belastingsysteem in een hogere schijf terechtkomen. Hierdoor zullen de overheidsinkomsten toenemen.

Is dit nochtans een waarschijnlijk scenario? Toegegeven, historisch gezien hebben landen vaak dit recept toegepast om weer uit de moeilijkheden te komen. Maar dat impliceert dat het monetaire beleid niet van historische fouten zou hebben geleerd. Het meest recente en meest afschrikwekkende experiment van monetaire stimulering in de ontwikkelde wereld vormt de verlaging van de rentevoet in Japan in de periode 1986/1987, die in 1991 leidde tot het uiteenspatten van de zeepbeleconomie. In dit licht gezien is het toch weinig plausibel om te veronderstellen dat Europa dit voorbeeld zou willen navolgen. Maar daarmee is het probleem nog steeds niet opgelost.

Laten we de zaak eens van een andere kant benaderen. Wat zou er gebeuren als er geen EMU was met zijn geïnstitutionaliseerde verdedigingslinie tegen inflatie? In dat geval zou het inflatiescenario in vele Europese landen veel waarschijnlijker worden met alle catastrofale gevolgen van dien, bijvoorbeeld voor de welvaartsontwikkeling, de wisselkoersen en de gemeenschappelijke markt. Met andere woorden, hoe men het ook wendt of keert, met de EMU is Europa beter af om dit probleem op te lossen dan zonder EMU. Maar er dient wel snel iets aan te worden gedaan.