Research

Articles

Vernieuw diplomatieke spel: Affaire-Wilders spoort aan tot vermaatschappelijking Nederlands imagobeleid

12 Mar 2008 - 08:34
Geert Wilders' film 'Fitna' is nog niet vertoond, maar brandende Deense en Nederlandse vlaggen in Afghanistan en de diplomatieke voorbereidingen in Den Haag en Brussel geven aan dat het geen nonn-issue is. De gevolgen zijn anders dan tijdens de Deense cartoonaffaire, maar dat is een allerminst geruststellende gedachte. Diplomatie mag de kunst van het wegmasseren zijn, het is lastig verweren tegen haatcampagnes, geweldgebruik of een spontane boycot van Nederlandse producten.

In een dergelijk scenario staan ambassades in de islamitische wereld met de rug tegen de muur en het internationale bedrijfsleven is waarschijnlijk het eerste slachtoffer. De te verwachten kritiek op 'Nederlandse toestanden' van westerse opiniemakers is van een heel andere aard, maar komt onvermijdelijk en is politiek gezien niet minder schadelijk. Film of geen film: minister Verhagen en staatssecretaris Timmermans kunnen de situatie maar beter aangrijpen om hun imagobeleid bij te stellen en meer gebruik te maken van het potentieel van de Nederlandse samenleving.

Maximaliseren van de Nederlandse 'soft power' vraagt een heel ander spel dan de traditionele diplomatie: het komt neer op intensieve betrekkingen met het niet-officiële buitenland, oog voor de culturele component van het buitenlandbeleid en niet te vergeten de dialoog met de eigen burgers. Nederland heeft de 'zachte' sectoren van het diplomatieke apparaat in de komende jaren hard nodig.

Het probleem met de Nederlandse public diplomacy, die zich richt op de buitenlandse publieke opinie, is dat de overheid het beleid soms teveel zelf uitvoert, niet handig in een tijd waarin het vertrouwen in de overheid afneemt. Daarnaast is het internationaal cultuurbeleid onvoldoende met de tijd meegegaan. Culturele diplomatie gaat niet alleen over de presentatie van Nederlandse cultuur en imagoversterking in het buitenland. Het is bij uitstek een instrument voor de verdieping van het maatschappelijke en culturele debat in ons land. De laatste dimensie komt nu echter nog onvoldoende aan bod.

Overheersende gouvernementele reflexen spelen Den Haag in deze materie parten. Zo zou het ministerie van Buitenlandse Zaken gewone burgers veel meer kunnen betrekken bij discussies over internationale politiek en afwegingen van buitenlands beleid. Het zou van BZ een meer binnenlands departement maken. Landen, zoals Canada en Indonesië, zijn in dit opzicht veel verder. Zij realiseren zich dat 'domestic outreach' en internationale reputatie in elkaars verlengde liggen.

Niet verrassend is dat die behoefte zich juist nu voordoet, in een periode van verwarring over de Nederlandse identiteit. Landen waarvoor identiteitskwesties een gegeven zijn, zien dit in de regel als een niet te verwaarlozen onderdeel van het diplomatieke werk.

De bottom-line is dat de Nederlandse publieksdiplomatie de vinger aan de pols van deze tijd heeft en dat de overheid zelf meer uit handen durft te geven. In de jaren van Fortuyn, Van Gogh, Hirsi Ali, Verdonk en Wilders is weliswaar veel ervaring opgedaan, maar er is nu meer dan ooit behoefte aan frisse ideeën. Minister Verhagen kan de uitvoering van de publieksdiplomatie maar beter grotendeels uitbesteden aan onafhankelijke organisaties en maatschappelijke groeperingen, mede gesponsord door bedrijven. Die hebben meer ervaring in het organiseren van 'events', dialogen en uitwisselingen en zijn als onafhankelijke boodschappers in het buitenland bovendien veel doeltreffender. Overheden hebben een geloofwaardigheidsprobleem: het publiek wantrouwt officiële informatie en boodschappers.

De commotie over de film zal helaas nog even voortduren. Voor zover het een zorg is hoe ons land internationaal wordt gezien, biedt de affaire ook een mooie kans voor een lange termijninvestering in de reputatie van Nederland.