Politieke unie in Europa creëert in haar huidige verschijningsvorm enorme risico's
Het wordt met de dag duidelijker dat er heel stevige maatregelen nodig zijn om de euro te redden. Tot voor kort kon nog gezegd worden dat de monetaire unie niet zonder politieke unie kan. Met de vele maatregelen die zijn genomen lijkt de politieke unie min of meer een feit. Echter, het wantrouwen tegen Europese overheden is te groot. Met de politieke zwaktes zijn de vooruitzichten voor de bereikte politieke unie slecht. Om de euro te redden moet hij opnieuw worden ingevoerd.
In de jaren negentig van de vorige eeuw bestond in de aanloop naar de euro een zeker enthousiasme in lidstaten om te voldoen aan de criteria van Maastricht. Het overheidstekort moest naar 60% en het begrotingstekort mocht niet meer zijn dan 3%, of althans trends in deze richtingen. Het toezicht op de invoering was echter volstrekt onvoldoende. Dit moet dus over.
Er circuleren veel voorstellen om de euro te versterken. Eén alternatief draait erom landen voor korte of langere termijn uit de euro te zetten. In deze krant bepleitte Harald Benink, hoogleraar Banking and Finance, een 'eurozonevakantie'. Een peiling van omroepvereniging WNL toonde dat Nederlanders een opdeling in neuro en zeuro steunen. Zulke opdelingen zijn zeer verstorend op de korte termijn. Daarbij raken ze maar een paar landen, zoals Griekenland en Portugal, terwijl er veel meer twijfelgevallen zijn, zoals België, Italië, Spanje en Frankrijk. We kunnen niet aan het opdelen blijven.
Het tweede alternatief, dat de EU nu volgt, bestaat uit het versterken van de politieke unie. Echter, dit werkt niet. In rap tempo is de mogelijkheid gecreëerd om probleemlanden te helpen door de Europese Centrale Bank (ECB) hun staatsobligaties te laten opkopen. De ECB heeft haar bevoegdheden uitgebreid en er zijn Europese garantiefondsen opgericht (die waarschijnlijk alweer vergroot zullen worden). Met herzieningen van het groei- en stabiliteitspact worden regels voor nationale begrotingen aangescherpt. Als Griekenland of Italië geld nodig heeft van de ECB of uit het garantiefonds om hun banken draaiende te houden, moeten ze eerst beloven diep in te grijpen in hun economieën en/of begrotingen.
Het is twijfelachtig of dit gaat werken. Het wantrouwen in de financiële markten is dan ook hoog en in verschillende landen hangt de dreiging van stakingen tegen bezuinigingen voortdurend in de lucht.
Daarbij zijn de gevaren van de huidige aanpak enorm. De bezuinigingsbeloften van Berlusconi lijken stoer maar onderstrepen vooral zijn flexibiliteit. Eerst zegt hij dat zijn minister van financiën zich niet zo veel van Brussel moet aantrekken. Een paar dagen later heeft hij financiële steun van de ECB nodig en stemt hij in met stringente maatregelen. Onbetrouwbaarheid is troef.
Opkomende verkiezingen in bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk bedreigen de begrotingsdiscipline. De markten zullen zenuwachtig worden omdat de centrumconservatieve regeringen van Merkel en Sarkozy misschien ingewisseld worden voor minder zuinige regeringen. Daarbij, zullen hun eventuele opvolgers voldoende op één lijn zitten om leiderschap te tonen in de EU?
In de tussentijd rijzen twijfels over het draagvlak van de aanpassingen in probleemlanden als Ierland, Frankrijk, Italië en België. Terwijl in noordelijke en zuidelijke landen de weerstand tegen de euro groeit, verliest het hele Europese integratieproces aanzien.
De politieke unie in huidige vorm creëert enorme risico's. De garanties die Nederland moet geven lopen op. De politieke onafhankelijkheid van de ECB en haar gezag worden bedreigd door de probleemobligaties op haar balans. Nu zij voor miljarden aan Italiaanse obligaties heeft gekocht moet de ECB Berlusconi's beloften blijven geloven bij volgende transacties omdat ze anders haar eigen afwaardering bewerkstelligt.
Als de politieke unie niet werkt, zal de roep tot verkleining van de eurozone tot een homogene club toenemen. De huidige koers is een recept om de euro nog jaren te laten bungelen.
Herinvoering van de euro kan wel een effectief alternatief zijn. In Maastricht (1991) is een aanpassings- en beoordelingsproces in gang gezet dat tien jaar duurde. Deze lange periode was nodig om overheden tijd te geven om tekorten te reduceren, munten aan elkaar te koppelen en, uiteindelijk, de euro in te voeren.
Geef alle EU-lidstaten, ook de nieuwe lidstaten zoals Polen die nog niet in de euro zitten maar er volgens het EU-Verdrag wel in moeten, tien jaar de tijd om zich te (her)kwalificeren. Elk jaar zou een groene of oranje waarschuwingskaart verdiend kunnen worden. Door het politieke belang lijken de transparantie, media-aandacht en betrouwbaarheid van dit proces bijna gegarandeerd. Europese kredietbeoordelingsbureaus zijn dan ook niet meer nodig: landen kwalificeren zich of niet.
De eurozone zal niet meer struikelen van het ene probleemland naar het andere. Het grote voordeel is dat kiezers en stakers expliciet de keuze hebben wel of niet in de euro te willen. In de eurozone willen blijven en tegen, bijvoorbeeld, pensioenhervormingen staken, zal niet meer mogelijk zijn. In tegenstelling tot nu kunnen Frankrijk, België en Italië hun existentiële bezuinigingsvragen dan niet los zien van de vraag of ze in de euro willen blijven. De politieke unie heeft dan eindelijk tanden en de burgers hebben dan iets te kiezen.