Research
Articles
Wie is bang voor grote landen?
Aanleiding voor het recente gemor was een informele ontmoeting tussen de vijf grote lidstaten in het Franse La Baule, waarbij deze het EU-beleid inzake migratie en terrorismebestrijding bedisselden. Maar nog spectaculairder was eerder optreden van Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannie tegenover Iran. Zonder consultatie met wie dan ook binnen de Unie probeerden de Europese grote drie de Iraanse regering te bewegen tot acceptatie van een stringenter toezicht op het nucleaire programma. Maar ook in de Europese Conventie over een grondwet voor de EU was sprake van een opvallend samengaan van de groten. In reactie op een uitbreiding van de Unie met voornamelijk kleine lidstaten, kwamen de grote landen - veelal in onderlinge samenwerking - met voorstellen die vooral tot doel hadden het getalsmatig overwicht van de kleintjes te bezweren.
Dit alles krijgt extra scherpte in het licht van de wederopleving van de Frans-Duitse coalitie. Na veel gesputter heeft die een nieuw momentum, waarbij het overigens de vraag is of zij nog langer als motor van de integratie functioneert. Recentelijk lijken beide landen elkaar vooral te vinden bij het blokkeren van besluiten: als rem op de eenwording. Of het nu gaat om hervorming van het landbouwbeleid, de vervolmaking van de interne markt, of de begrotingsdiscipline, de Frans-Duitse as draait op volle toeren, de anderen hierbij voor voldongen feiten plaatsend.
De profilering van de groten is het onvermijdelijke gevolg van een uitbreiding van de Unie met zoveel en dan vooral kleine landen. Binnen de nieuwe mega-unie zal meer ruimte voor onderonsjes ontstaan. Bij gebrek aan tijd voor volwaardig voltallig overleg, zal immers nog sterker dan nu het formele onderhandelingsproces niet veel meer zijn dan een diplomatiek ritueel. Dat daarbij de scheiding groot-klein scherper naar voren komt, is al langer duidelijk. Binnen een unie met in overgrote meerderheid kleine landen zal alleen al de numerieke verhouding de groten naar elkaar toe drijven. De spreekwoordelijke verleiding om het gesprek toch vooral aan te gaan met partners van gelijk niveau die er ook werkelijk toe doen, zal niet te weerstaan zijn. Vooral niet als het om de echt belangrijke zaken gaat: de onderlinge machtsverhoudingen binnen de Unie, het geld, het buitenlands beleid, de toekomst van de integratie.
Is dit slecht? Niet op voorhand. Zo mag niet onderschat worden hoezeer initiatieven van de grote landen beslissend zijn geweest voor verdere eenwording dan wel voor de formulering van nieuwe ambities. Dat gold voor de gemeenschappelijke markt, de Economische en Monetaire Unie (EMU), en ook voor de ambities op het terrein van veiligheid en defensie. Voortgang is illusoir als de groten zich niet in een minimaal compromis weten te vinden.
Bovendien moet het gevaar van dominantie door de grote landen ook niet overdreven worden. Heeft 'Irak' niet geleerd hoezeer ook zij het oneens zijn? Ook zij hebben partners nodig. Biedt die onenigheid de kleintjes niet volop ruimte voor het spannende spel van wisselende partners? Soms wel, maar vaak ook niet. Hier lijkt het immers veilig te veronderstellen dat de groten in de Unie meer naar elkaar toe zullen trekken als zij het onderling oneens zijn. Juist dan, en bij voorbaat op de grote dossiers, zullen zij pogen die onenigheid te bezweren in de vorm van een voor hen aanvaardbaar compromis, wetend dat zij elkaar nodig hebben voor behoud van hun machtsbasis.
Wat nu met Nederland? Een land dat zich profileert als een middelgrote natie en zich internationaal een stevig ambitieniveau toekent. Juist zo'n land heeft te vrezen voor het verlies aan beinvloedingsmogelijkheden binnen een unie van de groten. Sneller en strategischer reageren is dan gewenst. Maar dat geldt ook nu al en blijkt voor het poldermodel vaak te hoog gegrepen.
Een beter gebruik van de bilaterale diplomatie? Zeker, maar was dat al niet de Nederlandse inzet vanaf midden jaren negentig? Toen herijkte Van Mierlo het buitenlands beleid met als het doel de toegang tot de groten te verzekeren, Duitsland en Frankrijk voorop. Met Heldring (NRC Handelsblad, 30 oktober) moet echter geconstateerd worden dat die ijkpunten gelet op de opstelling van deze landen blijkbaar geen betekenis meer hebben en dat dit beleid mislukt is.
Een versterkte inzet op het communautaire Europa dan? Vanzelfsprekend, maar wees ook hier realistisch. De grote landen manifesteren zich immers bij uitstek op die onderwerpen die zij als te gevoelig beschouwen voor daadwerkelijke zeggenschap van de Europese Commissie, de spil van het communautaire model. Er is ook geen bereidheid de positie van de Commissie daadwerkelijk te versterken. Bovendien, waar sprake is van fundamentele politieke tegenstellingen tussen lidstaten is de speelruimte voor de Commissie hoe dan ook nihil.
Wat Nederland rest is de noodzaak tot een beweeglijke diplomatie die inzet op wisselende coalities, echter zonder Brussel daarbij uit het oog te verliezen. Bovenal is een meer ontspannen en positieve kijk nodig op het optreden van de grote lidstaten, omdat een meer exclusief vooroverleg tussen deze landen - en dan vooral de grote drie - nu wellicht de enige weg is waarlangs vooruitgang kan worden geboekt.