Research

Articles

Uitruil nationale voorkeuren is evenwichtig

23 May 2005 - 08:37
Bij verwerping van de Europese Grondwet ontstaat mogelijk een kleine kopgroep van Europees gezinde landen. Met Nederland, maar onder dominantie van Frankrijk en Duitsland, menen Fred van Staden en Jan Rood.Een van de beste argumenten voor aanvaarding van de Europese Grondwet is tot dusver nauwelijks aan bod gekomen. Dat is het argument dat verwerping de kans vergroot dat Nederland in internationaal politiek opzicht in een bijzonder lastig parket komt. Want wat kan het zogenoemde plan B ? voor het geval het misgaat ? anders betekenen dan dat er een kopgroep wordt gevormd, die bestaat uit de zes oorspronkelijke lidstaten, misschien aangevuld met landen als Oostenrijk en Spanje?

Zeker, in theorie kan men zich ook voorstellen dat na afwijzing nog wordt geprobeerd een aantal kernpunten uit de Grondwet te redden door deze via een beperkte wijzigingsoperatie neer te leggen in het Verdrag van Nice. Te denken valt aan de aanstelling van een Europese minister van Buitenlandse Zaken en een semi-permanente voorzitter van de Europese Raad, alsmede aan beperking van de omvang van de Europese Commissie.

Maar wie meent dat deze wijzigingen doodleuk door alle parlementen van de lidstaten worden aangenomen nadat de Grondwet mogelijk in Nederland en andere landen is gestrand, moet wel erg kort van memorie zijn.

Waarschijnlijk is dat bijvoorbeeld Polen en Spanje in dat geval de kans zullen grijpen alsnog de voor deze landen zeer gunstige huidige stemgewichten in de Raad te behouden. Zo'n streven van Warschau en Madrid zou elk vergelijk op losse schroeven zetten.

Een voordeel van het grondwettelijk verdrag dat nu ter tafel ligt, is dat het iedere regering de mogelijkheid biedt delen daarvan aan te prijzen, aangezien dit document is gebaseerd op een evenwichtige uitruil van nationale voorkeuren. Dit resultaat is langs de weg van een beperkte verdragswijziging veel moeilijker te bereiken.

Waar heronderhandelen over een 'beter' verdrag derhalve illusoir is, mag niet worden uitgesloten dat van Frans-Duitse kant het initiatief wordt genomen om in een kleiner gezelschap het avontuur voort te zetten. Dat dan ook dwingend in Nederlandse richting zal worden gekeken, zelfs na een Nederlands nee tegen de Grondwet, is wel zeker gezien onze status als 'founding father'.

Is het in het Nederlandse belang indien Nederland zich zou aansluiten bij een kopgroep waarin Frankrijk en Duitsland onvermijdelijk de toon zetten? Op het eerste gezicht lijkt dit het geval. Nederland deelt immers de brede integratie-agenda van beide landen. Ook onze regering vindt dat de Europese samenwerking aanzienlijk meer dient te omvatten dan de instandhouding van de interne markt. De regering hecht aan de verdere ontwikkeling van een gemeenschappelijk buitenlands-en veiligheidsbeleid. Zij wil meer samenwerking op het terrein van justitie en politie in EU-verband.

Maar bij nader inzien is die aansluiting waarschijnlijk sterk af te raden. Een kerngroep onder sterke invloed van Frankrijk en Duitsland zou de betrekkingen met de VS op afstand zetten en de militaire samenwerking in Europa loskoppelen van de NAVO. Dit druist in tegen de Nederlandse voorkeur die samenwerking zoveel mogelijk binnen het Atlantische Bondgenootschap verder te ontwikkelen. Een voorkeur uit politieke overtuiging maar ook uit praktische noodzaak, gezien de politieke verdeeldheid en zwakte van het Europese militaire potentieel.

Maar er is op zijn minst nog een goede reden huiverig te staan tegenover deelname aan bedoelde kopgroep. Naast de breuklijnen in de EU tussen integratiemaximalisten en -minimalisten is er een niet minder belangrijke tegenstelling, die het hart van de economische samenwerking raakt, namelijk die tussen vrijhandelsgezinden (waaronder Nederland) en aanhangers van staatsinterventionisme en nationale bescherming.

De hardnekkige pogingen van Frankrijk en Duitsland om de zogenoemde Bolkestein-richtlijn inzake de liberalisering van diensten om zeep te helpen en de aanvechtingen van beide landen tot steunverlening aan noodlijdende bedrijven, zijn in strijd met de Nederlandse opvattingen over gezonde economische verhoudingen. Dit geldt wel helemaal voor de weigering van Berlijn en Parijs zich te onderwerpen aan de noodzakelijke begrotingsdiscipline van de EMU. Het Frans-Duitse optreden in dit dossier belooft ook weinig goeds voor de bereidheid rekening te houden met de inzichten van de kleinere lidstaten. Ook om die reden zou Nederland zich van bedoelde kopgroep afzijdig moeten houden. Pogingen de structuur van onze economie te versterken, zijn niet gebaat bij een sterke gerichtheid op innovatieresistente landen als Frankrijk en Duitsland.

Een uitgesproken oriëntatie op Groot-Brittannië biedt evenmin een rooskleurig vooruitzicht. Natuurlijk: in internationale veiligheidszaken en verbondenheid met de VS valt dit land sinds jaar en dag als natuurlijke bondgenoot van Nederland te beschouwen. Ook kunnen de prestaties van de Britse economie in menig opzicht als lichtend voorbeeld voor ons land gelden. Maar hiertegenover staat dat Nederland en Groot-Brittannië nog steeds worden gescheiden door een duidelijk verschil in ambitie met betrekking tot de reikwijdte van de EU-samenwerking.

De conclusie derhalve is duidelijk. Het Nederlands belang in zowel economische als politieke zin is gebaat bij voortzetting van het Europese integratieproces, met bij voorkeur deelname van een zo breed mogelijk samengesteld gezelschap. Belangrijker nog is dat die integratie is ingebed in sterke communautaire structuren, die landen dwingen het spel volgens de Europese regels te spelen. Op dit vlak zijn er geen garanties.

Maar een ding is zeker, zonder die gemeenschappelijke verbanden zal Nederland als economie en natie slechter af zijn. Een Grondwet die op dit punt zonder meer de Unie versterkt, verdient derhalve alle steun. Zeker als de onaantrekkelijkheid van het geschetste alternatief in ogenschouw wordt genomen.

Om deze redenen valt te hopen dat in elk geval de Nederlandse kiezers niet de eigen glazen ingooien door de Grondwet te verwerpen. Het zou onze regering voor een schier onoplosbaar dilemma plaatsen.