Research
Articles
Nederlandse diplomatie mist helder doel
De vraag is of de minister zich er niet te gemakkelijk vanaf maakt. Zo wekt het bevreemding dat hij met een wijde boog om de dilemma's heenloopt. Hij heeft het wel over de strategie van beleid (flexibele coalitievorming en het bouwen van bruggen), maar maakt niet duidelijk waartoe die strategie dient. Welke doelen denkt De Hoop Scheffer in een diep verdeelde Euro-Atlantische wereld te kunnen verwezenlijken? Daar gaat nog een andere vraag aan vooraf: Kan ons land überhaupt nog enige invloed hebben op de grote beslissingen van deze tijd?
De bezweringsformule van actief bilateralisme in dienst van de zelfbenoemde rol van bruggenbouwer schiet hier tekort. Deze rolopvatting is immers geënt op de gedachte dat Nederland juist door het ontlopen van een duidelijke keuze aantrekkelijk is voor alle betrokken partijen en bij uitstek vanuit die positie de verschillen tussen anderen kan helpen overbruggen. Die gedachte getuigt van een ernstige onderschatting van de diepte en aard van de tegenstellingen die nu binnen Europa en in de verhouding tot de Verenigde Staten zichtbaar zijn geworden. Onder deze omstandigheden betekent niet-kiezen voor een helder beleid dat men voor geen van de andere partijen een gezochte gesprekspartner is, en zich daarmee buitenspel plaatst.
Op één punt is de bewindsman wel duidelijk. Hij voert aan dat een Europese buitenlandse politiek die haar identiteit tracht te vinden door afstand te nemen van de Verenigde Staten, strijdig is met het Europese eigenbelang. Helemaal mee eens. Maar is dit ook de opvatting van Frankrijk? En van de huidige regeringscombinaties in Duitsland en België? Dat lijdt op z'n minst ernstige twijfel.
Men kan het ook gemakkelijk eens zijn met het standpunt dat een afwijzing van de Europese rol als tegenspeler van de Verenigde Staten niet noodzakelijk betekent dat ons slechts zou resten de rol te spelen van een soort meeloper van dat land.
Maar de schier onmogelijke opgave in de gespannen relatie met Amerika een middenweg te vinden tussen de richting van 'balancing' (het zoeken naar een tegenwicht) en die van 'bandwagoning' (het achter de sterkste macht aanlopen) doet Nederland in een lastig parket belanden. Moet ons land zich in Europees verband alsnog aansluiten bij de Frans-Duitse coalitie om zodoende zijn economische belangen veilig te stellen en greep te houden op de verdere ontwikkeling van de Europese Unie? Is het daarvoor bereid de prijs te betalen van het ontbreken van elke kans op correctie, zeker op langere termijn, van de ontplooiing van de Amerikaanse macht in de wereld? Of voelt het zich om redenen van mondiale veiligheid toch meer thuis bij een sterke oriëntatie op Groot-Brittannië en daarmee op de Angelsaksische wereld als geheel, ook als dit zou betekenen dat Nederland het niveau van zijn ambities ten aanzien van de Europese integratie moet aanpassen aan het lagere Britse peil?
In theorie zou Nederland kunnen proberen dit dilemma te omzeilen door zijn buitenlandse politiek, zoals Zweden, in hoofdzaak te richten op het uitvoeren van 'goede werken' in de internationale politiek, zoals de ontwikkelingssamenwerking, de mensenrechten en het internationale milieubeheer. Zo'n keuze zou misschien een zekere aantrekkingskracht uitoefenen op bepaalde groepen in onze samenleving, maar tegelijk een radicale breuk betekenen met het verleden. Het zou Nederland immers uit het centrum halen van de discussie over de toekomst van Europa en het risico meebrengen de Amerikaanse bescherming te verliezen wanneer deze toch nodig blijkt te zijn.
Het openhouden van zoveel mogelijk opties kan een tijdlang een grote deugd zijn, maar er zijn momenten waarop moet worden gekozen. Als de crisis in de Europees-Atlantische verhoudingen iets aantoont, dan is het de ontmaskering van de illusie van de grote Europese landen zelfstandig nog enige invloed op het wereldtoneel te kunnen uitoefenen. Leidt dit tot de conclusie dat zij alleen door middel van gemeenschappelijk optreden in Europees verband van betekenis kunnen zijn, tegelijkertijd is het zonneklaar dat in dit opzicht tussen hen een brede kloof gaapt.
De Britse politiek van meebuigen met de Amerikanen teneinde nog enige invloed op Washington uit te oefenen, staat haaks op de Franse reflex om via de band van de Europese Unie de Amerikaanse hegemonie te neutraliseren. Een politiek die - in een recent interview met de Financial Times - zelfs door voormalig voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors als contra-productief werd bestempeld. Bruggenbouwer Nederland zal in dit krachtenveld een positie moeten innemen.
Voor ons weegt zwaar dat elke toekomstige internationale orde een orde zal zijn die door de Verenigde Staten wordt beheerst. Daarom heeft een beleid dat zou streven naar het scheppen van een tegenwicht ten opzichte van Amerika geen zin. En voor een land dat internationale aspiraties heeft die verder reiken dan humanitaire doeleinden, verdient de Zweedse optie geen voorkeur.
Dan resteert een buitenlands beleid dat hoe dan ook de transatlantische relatie als belangrijkste referentiekader heeft. Ook dat beleid impliceert niet een op het tweede plan plaatsen van Europese Unie en Verenigde Naties, maar heeft dan wel een helder vertrekpunt.