State of the Union: Europa’s defensie bereidt zich op alles voor — maar is nergens echt klaar voor
Deze opinie werd eerder gepubliceerd in De Morgen en de Volkskrant op 10 september 2025.
Vandaag spreekt Ursula von der Leyen haar State of the Union uit. Defensie en veiligheid staan bovenaan de agenda: een Defensiecommissaris, extra middelen voor de industrie en een Paraatheidsunie die Europa weerbaarder moet maken tegen crisissen en dreigingen.
Op de achtergrond loopt “Readiness 2030”, opvolger van “ReArm Europe”. Die naamswijziging lijkt detailpolitiek, maar is veelzeggend. Waar “ReArm” te militaristisch klonk, klinkt “Readiness” neutraler. Het verschil toont hoe gevoelig defensie blijft in Europa en hoe moeilijk het is woorden om te zetten in prioriteiten.
De cijfers zijn indrukwekkend. In 2024 gaven de lidstaten samen 326 miljard euro uit aan defensie, ruim honderd miljard meer dan drie jaar geleden. Toch vertaalt dat budget zich maar beperkt in gezamenlijke slagkracht.
De oorzaken zijn bekend. Nationale prestigeprojecten, industriële reflexen en het vetorecht maken de EU traag en inefficiënt. Iedereen verdedigt zijn belangen, waardoor dubbele productielijnen en concurrerende systemen blijven bestaan. Extra geld verandert daar weinig aan zolang keuzes uitblijven.
In de EU kan elke lidstaat buitenlandse en veiligheidsbeslissingen blokkeren. Stemmen met meerderheid klinkt aantrekkelijk, maar is voorlopig onhaalbaar. Wat wél kan, is dat landen die vooruit willen sneller handelen in kleinere coalities. De verdragen voorzien daarin, al gebeurt dat zelden.
De droom van één Europese defensiemarkt met een centrale aankoper blijft buiten bereik. Lidstaten houden vast aan hun industrieën. Toch zijn gezamenlijke aankoopprogramma’s voor munitie en luchtverdediging haalbaar. Daar is de nood hoog en nationale symboliek minder zwaar. Resultaten op die terreinen kunnen later samenwerking vergemakkelijken.
Financiering speelt ook een rol. Boetecontracten voor laattijdige leveringen zijn moeilijk afdwingbaar, maar meerjarige afnamegaranties zijn haalbaar. Die geven producenten zekerheid, terwijl lidstaten prijsvoordeel en leveringszekerheid krijgen. Het Europees Defensiefonds biedt daar al instrumenten voor; nieuwe structuren zijn niet nodig.
Ook op technologisch vlak ontbreekt een strategie. Over AI wordt veel gesproken, maar concrete plannen zijn schaars. Een Europese aanpak kan zich beter richten op toepassingen met dubbel gebruik, zoals logistiek, onderhoud of cyberdetectie. Die zijn minder controversieel en sneller bruikbaar. Een gezamenlijke testinfrastructuur kan dat proces ondersteunen en kosten drukken.
De vraag is of er politieke wil is om stappen vol te houden. Europa staat voor uitdagingen: de oorlog in Oekraïne, cyberaanvallen, desinformatie en druk via energie of migratie. Toch vertaalt die urgentie zich niet altijd in gezamenlijke actie. Een jaarlijkse Europese paraatheidsraming – een overzicht van capaciteiten en hiaten, bijvoorbeeld bij munitie of luchtverdediging – zou meer duidelijkheid geven. Transparantie kan stapsgewijs groeien: eerst intern binnen de Raad en het Parlement, later publiek.
De afhankelijkheid van de VS blijft een feit. Washington vormt nog steeds de ruggengraat van de westerse veiligheid, vooral voor inlichtingen, lucht- en raketafweer en nucleaire afschrikking. Europa bouwt initiatieven uit, zoals gezamenlijke munitieaankopen en luchtverdediging, maar de kloof met de VS blijft groot. Strategische autonomie betekent hier eerder meer verantwoordelijkheid opnemen binnen de NAVO dan loskoppeling. Investeringen in munitie, luchtverdediging, logistiek en elektronische oorlogsvoering kunnen Europa versterken en ook de Amerikaanse last verlichten.
Von der Leyen heeft gelijk dat naïviteit geen optie meer is. Of haar vaststelling leidt tot verandering hangt af van de bereidheid van lidstaten om nationale belangen opzij te zetten. Zolang dat niet gebeurt, blijft Europese paraatheid vooral een belofte op papier.