Research

Articles

Bezwaren tegen buitenlanders in leger zijn niet steekhoudend

15 Mar 2006 - 00:00
Het Instituut Clingendael opperde onlangs buitenlanders te werven voor het Nederlandse leger. De bezwaren tegen het voorstel zijn niet steekhoudend, zegt C. Homan. Het is maar de vraag of Nederland zijn leger op sterkte kan houden zonder buitenlands personeel.'Onbespreekbaar', 'een huurlingenleger' en 'borrelpraat'. Deze reacties kreeg het voorstel van Instituut Clingendael om buitenlanders voor het leger aan te trekken. Clingendael meent dat dit idee serieuze overweging verdient als onvoldoende Nederlandse jongelui kunnen worden geworven. De Nederlandse krijgsmacht wordt thans vooral ingezet voor de uitvoering van taken op het gebied van de verdediging van universele waarden en de bescherming van de internationale rechtsorde. Die principes gelden niet alleen voor Nederlanders, maar voor alle wereldburgers.

Het is curieus dat die politieke partijen die twee jaar geleden in hun verkiezingsprogramma honderden miljoenen op defensie wilden bezuinigen, zich nu het felst tegen het idee van Clingendael keren en betere arbeidsvoorwaarden als de oplossing voor het wervingsprobleem presenteren. Clingendael stelde begin vorig jaar in zijn studie Krijgsmacht of Vredesmacht ook reeds voor de arbeidsvoorwaarden te verbeteren, contracten voor BBT'ers (beroepsmilitairen met een contract voor bepaalde tijd) te verlengen en actiever reservisten te werven. De vraag is echter of dit voldoende is.

Wat zijn de feiten? De krijgsmacht heeft problemen met het aantrekken van militair personeel. Op dit moment wordt 86 procent van de werving gehaald. Met de in de Defensienota aangekondigde uitbreiding van de krijgsmacht met 2100 parate functies wordt dit probleem alleen maar groter. De verlaging van de keuringseisen van de afgelopen jaren heeft inmiddels ook zijn grens bereikt. Clingendael sluit dan ook niet uit dat ondanks alle aangekondigde maatregelen de nieuwe functies niet allemaal gevuld kunnen worden en werving van buitenlanders serieuze aandacht verdient.

Nederland is niet uniek met zijn wervingsproblemen voor de krijgsmacht. De meeste westerse democratiën kampen met personeelstekorten. Zo kent de Amerikaanse marine een tekort van 20.000 man en tracht de Britse landmacht een gat van 7.000 man te dichten. Duitsland toont aan dat meer geld ook niet altijd een oplossing biedt. In dit land, waar dienstplichtigen op vrijwillige basis aan vredesoperaties kunnen deelnemen, heeft men, om deze in voldoende mate te werven, de belastingvrije maandelijkse toelage (dus boven het salaris) vorig jaar verhoogd van 3900 tot 5700 mark.

De bezwaren die de laatste dagen tegen het idee van Clingendael zijn geuit, vragen om een weerwoord. De kreet dat Nederland een huurlingenleger zou krijgen is onzin. Wie de International convention against the recruitment, use, financing and training of mercenaries uit 1989 erop naslaat, zal lezen dat huurlingen personen zijn die gerecruteerd worden om met geweld een regime uit het zadel te werpen of op andere wijze de constitutionele orde of territoriale integriteit van een staat te ondermijnen.

Een ander geopperd bezwaar is dat er juridische beletselen zijn omdat buitenlanders de Nederlandse nationaliteit moeten hebben. Dat is ten dele juist. Voor een tijdelijke aanstelling is het geen vereiste. Het moet dan wel om niet-reguliere functies gaan. Zo werden in 1991 en 1992 Koerden en Cambodjanen met een geldige verblijfstitel als officier aangesteld in het kader van de Nederlandse deelneming aan de Operatie Provide Comfort in Noord-Irak en de VN-vredesoperatie in Cambodja.

Daarnaast is het mogelijk dat buitenlandse militairen tewerkgesteld worden binnen het Nederlandse leger. In verband met tekorten bij de marine in het midden van de jaren negentig werkten 39 Britse matrozen als machinist aan boord van Nederlandse oorlogsschepen. Van recentere datum is de tewerkstelling van Belgisch militair ondersteuningspersoneel voor het onderhoud van Hawk-raketten van de luchtmacht.

Tenslotte bestaat ook de 'onder bevelstelling in organiek verband'. Voorbeelden zijn de deelname van een Surinaams peleton aan het mariniersdetachement op Haïti (1995-96) en een Bulgaars geniepeleton dat deel uitmaakt van de Nederlandse SFOR-eenheid in Bosnië-Herzegovina.

Dat laat onverlet dat voor het idee van Clingendael een wetswijziging noodzakelijk is. Een grondwetswijziging is niet vereist. In de Grondwet komen sinds 1983 geen beperkende bepalingen meer voor inzake de aanstelling van vreemdelingen in openbare dienst. Wel geldt dat het afzonderlijk in een wettelijk voorschrift moet worden vastgelegd als het Nederlanderschap voor de aanstelling is vereist. De Militaire Ambtenarenwet bepaalt dat - tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is voorgeschreven - voor aanstelling als militair uitsluitend Nederlanders in aanmerking komen. Een wijziging in de regelgeving zal dus noodzakelijk zijn. Maar regelgeving moet dan ook de vastlegging zijn van nieuwe inzichten en ontwikkelingen.

De eis schrappen dat men Nederlander moet zijn om als militair te kunnen worden aangesteld, zou wel betekenen dat de nationaliteit van een gegadigde helemaal geen rol meer kan spelen. Dat is ongewenst. Als nieuwe eis kan worden gesteld het bezit van de nationaliteit van een land dat behoort tot een nader vast te leggen groep van landen.

In het voorstel van Clingendael gaat het om het werven van eenheden van buitenlanders en niet om integratie in Nederlandse eenheden. Dat kan namelijk problemen opleveren bij de inzetbaarheid. Zo zouden Turkse militairen die in een Nederlandse eenheid dienen vanwege de politieke gevoeligheid moeilijk inzetbaar zijn in Kosovo.

Een variant op de gedachte van Clingendael is adoptie van een buitenlandse eenheid. Zo valt te denken aan de adoptie van een Poolse brigade bestaand uit drie bataljons. Nederland neemt de opleiding en training van deze eenheid voor zijn verantwoording en voorziet haar van materieel dat toch wordt afgestoten. In ruil daarvoor kan Nederland deze bataljons - uiteraard in overleg met de Poolse regering - inzetten bij vredesoperaties.