Research

Articles

Burgers zijn gebaat bij een centrale rol voor de Europese Commissie

08 Jul 2004 - 11:55
Alleen met een krachtige tegenspeler kan het aanzien van het Europese parlement opgekrikt worden, meent A. van Staden.Het debat over de toekomst van de Europese Unie is vorige week op scherp gesteld. Ondanks de reserves van enkele individuele commissarissen (onder wie naar verluidt Frits Bolkestein), heeft de Europese Commissie in een document ten behoeve van de zogeheten Europese Conventie stellingen betrokken die lijnrecht ingaan tegen de voorkeuren van vooral Frankrijk en Groot-Brittannië. Beide landen streven ernaar de positie van de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders te versterken.

Kort geleden verschenen in de Britse pers berichten volgens welke Tony Blair steun had betuigd aan een idee dat president Chirac begin maart in Straatsburg had gelanceerd: de aanwijzing voor langere tijd van een president van de Europese Raad die het gezicht van de Unie in de wereld zou moeten bepalen, en een stimulerende rol in het proces van Europese samenwerking zou moeten spelen. Ook de Spaanse regeringsleider Aznar zou niet onwelwillend tegenover dit idee staan. Daarentegen heeft de Commissie in haar recente voorstellen een leidende rol voor zichzelf in de Europese besluitvorming opgeëist, ook op die beleidsterreinen waar haar positie tot dusver zwak tot tamelijk zwak is, te weten het buitenlands beleid, justitie en binnenlandse veiligheid, alsmede de macro-economische beleidscoördinatie als aanvulling op de monetaire integratie.

Inzet van de discussie betreft niet alleen de vraag waar het machtscentrum in het Europa van morgen dient te liggen, bij de supranationale Commissie of bij de intergouvernmentele Europese Raad, en hoe bijgevolg de algemene Europese belangen en speciaal de belangen van de kleinere lidstaten het beste verzekerd kunnen worden. Aan de orde is ook de vraag welke ontwikkeling vanuit een oogpunt van de democratische legitimiteit de voorkeur verdient. Voorstanders van een verschuiving van bevoegdheden van de Commissie naar de Europese Raad bedienen zich van het argument dat een dergelijke herverdeling van macht de Europese Unie democratischer zou maken. De Raad, zo voeren zij aan, bestaat immers uit democratisch verkozen leden, terwijl de Commissie is samengesteld uit niet-gekozen functionarissen.

Dit argument overtuigt bij nader toezien niet. Het gaat ten eerste voorbij aan het feit dat de overgrote meerderheid van de politieke leiders in Europa haar positie ontleent aan het vertrouwen dat zij geniet bij een meerderheid van nationale parlementen, en niet aan een rechtstreekse verkiezing door burgers. De Commissie oefent haar taken uit bij de gratie van een dubbel vertrouwensvotum, dat van de nationale regeringen en dat van het Europese parlement. De aangewezen oplossing om het democratisch gehalte van de Unie te vergroten, is de relatie tussen Commissie en Europese parlement zo veel mogelijk aan te passen analoog aan de regels van het nationale parlementaire model. Onmisbaar hierbij is de invoering van een verantwoordingsplicht van individuele leden van de Europese Commissie tegenover het Europese parlement, met de daaruit voortvloeiende mogelijkheid tot opzegging van vertrouwen en ontslag.

Maar het gehanteerde argument verliest nog meer van zijn kracht als we kijken naar de politieke situatie in de EU-lidstaten. In de nationale (presidents- en parlementaire) verkiezingen die kort geleden in Frankrijk, Nederland en Ierland hebben plaatsgevonden, speelden Europese kwesties hoegenaamd geen rol. Men kan erover twisten of de politici die hebben deelgenomen aan de politieke campagnes in deze landen zich onvoldoende hebben ingespannen de aandacht van de kiezers hiervoor te vragen, of dat de kiezers bij voorbaat niet ontvankelijk waren voor standpunten inzake Europese politiek. Dit doet aan de constatering niets af. Het geschetste beeld zal niet of nauwelijks veranderen wanneer straks parlementsverkiezingen in Frankrijk en Duitsland worden gehouden.

Dit roept de vraag op wat in feite de democratische legitimatie in Europese aangelegenheden is van nationale regeringsleiders die zich tegenover hun kiezers niet hebben willen of kunnen uitspreken over onderwerpen waarover zij in de Europese Raad wel belangrijke beslissingen nemen. Hoe machteloos moeten deze kiezers zich voelen wanneer bij de eerstkomende Intergouvernementele Conferentie richtingen worden ingeslagen die zij in meerderheid niet kunnen volgen? Waar kunnen zij dan met hun ongenoegen terecht? Is dan toch niet een politiek stelsel te prefereren waarin de Europese Commissie een centrale beleidsbepalende rol speelt en men via verkiezingen voor het Europese parlement in elk geval indirect invloed kan uitoefenen op haar koers? Een opwaardering van de Commissie zou voor de Europese burger ook een aansporing kunnen betekenen die verkiezingen eindelijk ernstig te nemen. Zonder een krachtige tegenspeler zal het Europese parlement zijn profiel niet weten te verhogen.

Er bestaat ook in Nederland een neiging te geloven in de onvermijdelijkheid van een (verdere) neergang van de macht van de Commissie. Radicale voorstellen van dit orgaan op het institutionele vlak worden bij voorbaat als kansloos bestempeld. Er is sprake van een houding van defaitisme ten opzichte van politieke krachten die de nationale staten vertegenwoordigen. Men wil kennelijk niet graag bij de verliezers behoren. De uitkomst van discussie over de toekomstige vormgeving van de Europese Unie staat echter nog allerminst vast. Natuurlijk: het is niet erg waarschijnlijk dat de Commissie zich binnen afzienbare tijd zal kunnen ontwikkelen tot zoiets als een Europese regering, maar evenmin staat vast dat zij zal degraderen tot het niveau van een soort van veredeld secretariaat van Europese Raad en Raad (van ministers), die in Europa onder aanvoering van de grotere landen de lakens gaan uitdelen.

Er zal een nieuw compromis moeten worden gesloten tussen Europese en nationale visies. Daarbij is, gelet op het belang van de noodzakelijke democratisering van de EU, te hopen dat de nieuwe Nederlandse regering zich zal scharen onder diegenen die zich niet laten intimideren door de druk van bepaalde grotere Europese landen. Bij de door hem uitgesproken Schmelzer-lezing, twee maanden geleden, heeft CDA-leider Balkenende een onvervalste federale geloofsbelijdenis afgelegd, uitmondend in een krachtig pleidooi voor een sterke Commissie en een even sterk Europese parlement. Hem wacht als vermoedelijk nieuwe minister-president van ons land een moeilijke taak de eurosceptische geesten bij zijn toekomstige coalitiepartners in bedwang te houden.