Research

Articles

Carla del Ponte heeft weinig bewijs tegen Milosevic

15 Mar 2006 - 00:00
Aanklacht roept vraag op over legitimiteit NAVO-interventie

Met haar aanklacht tegen Milosevic loopt Del Ponte het risico dat de legitimatie van de NAVO-actie tegen Servië ter discussie wordt gesteld. En de onbewijsbaarheid van genocide zou zelfs kunnen leiden tot ontslag van rechtsvervolging, menen Dick Leurdijk en Rob de Wijk.

Dat er door Milosevic en zijn entourage voor en tijdens operatie Allied Force, de Kosovo-oorlog, gruwelijkheden zijn begaan, staat buiten kijf. Maar de aanklacht die door de openbare aanklager bij het Joegoslavië-Tribunaal is ingediend, roept grote twijfels op over de vraag of Carla del Ponte wel een zaak heeft: zij beperkt zich tot een opsomming van deportaties en massamoorden gedurende de NAVO-luchtbombardementen, benadrukt de formele posities die Milosevic bekleedde en onderscheidt zowel zijn persoonlijke verantwoordelijkheid als zijn verantwoordelijkheid voor de misdaden gepleegd door zijn ondergeschikten.

Maar op geen enkele manier onderbouwt zij het planmatige karakter van de campagne van terreur en geweld of voert zij bewijzen op om duidelijk te maken dat het Milosevic c.s. er vooral om ging de Kosovo-Albanese bevolking uit Kosovo te verdrijven. Haar zwakke bewijsvoering roept bovendien vragen op over de rechtvaardiging van operatie 'Allied Force' door de NAVO.

Allereerst de rechtvaardigingsgrond voor de interventie in Joegoslavië. Aanleiding voor de oorlog waren de veronderstelde gruweldaden die Servische legereenheden, politietroepen en paramilitaire eenheden tegen de Albanese bevolking begingen, met de klaarblijkelijke bedoeling 'een substantieel deel van de Albanese Kosovaren uit Kosovo te verdrijven'. Zo staat het in de aanklacht.

Die gruwelijkheden begonnen volgens de aanklacht rond 1 januari 1999 en duurden voort tot het einde van de luchtcampagne. Deze aanvangsdatum is merkwaardig omdat de NAVO reeds medio 1998 bezig was met de voorbereiding van een interventie wegens aanhoudende terreur tegen de Albanese bevolking die in februari 1998 was begonnen. De internationale gemeenschap, inclusief de NAVO, stelde in september van dat jaar dat het excessieve geweld, in verband met de winter, leidde tot een 'naderende humanitaire catastrofe'.

Dit perspectief woog zwaar mee in de overwegingen die uitmondden in de uitvaardiging van de activation order van oktober 1998 waarmee de weg werd vrijgemaakt voor het ingrijpen. Voor de rechtvaardiging van operatie Allied Force moeten we dus teruggaan tot 1998. Als de acties van vóór 1 januari 1999 niet de bedoeling hadden de Albanezen te verdrijven, zijn ze vermoedelijk het slachtoffer geworden van het Servische optreden tegen de rebellen.

Het is merkwaardig dat op één uitzondering na, álle in de aanklacht vermelde gevallen van gedwongen deportatie en moord betrekking hebben op de periode vanaf 25 maart, de dag nadat de NAVO zijn bombardementen begon. Die ene uitzondering is de moordpartij bij Racak van 15 januari 1999. Het staat vast dat in dit Kosovaarse dorp zo'n veertig Albanezen door Serviërs zijn gedood, maar er bestaat nog steeds twijfel over de precieze toedracht van de moordpartij; de aanklacht gaat hier ook niet verder op in.

Omdat afgezien van Racak geen 'strafbare' feiten van de periode van vóór 24 maart zijn opgevoerd, rijst de vraag welke rechtvaardiging er voor de interventie door de NAVO was. Die vraag is politiek van belang omdat de NAVO volhield dat de operatie volgens het volkenrecht weliswaar onrechtmatig was (geen mandaat van de Veiligheidsraad), maar wel legitiem omdat er nu eenmaal sprake was van een humanitaire noodsituatie waarvoor Milosevic persoonlijk verantwoordelijk kon worden gehouden. Als de aanklacht op dit punt niet wordt uitgebreid en Milosevic het handig speelt, kon dat wel eens leiden tot een pijnlijk politiek debat in de NAVO-hoofdsteden.

Maar hier ligt een andere troef voor Milosevic. Er zijn sterke aanwijzingen dat het merendeel van de feitelijke gruweldaden waarvoor hij wordt aangeklaagd zijn uitgevoerd door milities, zoals de Tijgers van de inmiddels vermoorde Arkan. Uit de aanklacht blijkt niet of deze milities onder de paramilitaire eenheden vallen.

De grote zwakte in de bewijsvoering is dat niet wordt aangetoond dat Milosevic - in de woorden van de aanklacht - de acties persoonlijk plande, instigeerde, commandeerde of anderszins leiding gaf aan de deportaties en moorden door leger, politie en paramilitairen. Milosevic kan beweren na het begin van de bombardementen de controle over de Arkans in Kosovo te hebben verloren. Dat is ongetwijfeld onjuist, maar het valt niet te bewijzen. In een chaotische oorlogssituatie is verlies aan controle niet onaannemelijk; hij kón de milities niet stoppen. Ook dat is ongetwijfeld onjuist, maar omdat de NAVO juist communicatielijnen aanpakte zal de aanklager het hier nog knap lastig mee krijgen.

Daarbij komt dat de aanklacht op geen enkele manier het systematische, dan wel planmatige karakter van de gruweldaden tegen de Albanezen onderbouwt. Zo ontbreekt ook elke verwijzing naar Operatie Hoefijzer die destijds als 'bewijs' van een planmatige etnische zuivering is aangevoerd. Interessant is voorts dat de veelgebruikte termen 'etnische zuivering' en ook 'genocide' niet in de aanklacht voorkomen, kennelijk omdat het bewijs daarvoor (nog?) niet geleverd kon worden.

Inmiddels heeft Del Ponte aangegeven dat er op l oktober een aanklacht komt wegens genocide - in Bosnië en Kroatie! Zolang de aanklacht niet is uitgebreid, geeft de nu voorliggende aanklacht Milosevic argumenten in handen om de gang van zaken als een politiek proces af te doen. Hij kan zich eenvoudig in een slachtofferrol manoeuvreren, een debat over de rechtvaardiging van operatie Allied Force ontketenen, en sympathie voor zijn zaak verwerven.

Met deze aanklacht heeft Del Ponte het zichzelf buitengewoon moeilijk gemaakt. Als de aanklacht nog wordt uitgebreid met genocide, zal Del Ponte (o.a. met documenten) moeten kunnen aantonen dat Milosevic de bedoeling had de Kosovo-Albanezen als bevolkingsgroep geheel of gedeeltelijk te elimineren. Is zij niet in staat haar bewijsvoering voldoende te onderbouwen, dan kan dat leiden tot ontslag van rechtsvervolging voor Milosevic.