Is het een vloek of een zegen om als land over eigen olie- en gasvoorraden te beschikken? Het antwoord lijkt simpel: een zegen.
Met een flinke gasbel of Schoonebeekse jaknikkers slaap je een stuk geruster dan als je afhankelijk bent van Poetin.
Toch zijn de geleerden het daar niet over eens en laait de discussie steeds weer op.
In 2001 trok politicoloog Michael Ross in World Politics het zegenrijke van oliebezit in twijfel. Althans, hij zei: hoe gemakkelijker een land eraan verdient, des te slechter het gaat met de democratie in zo’n land. Een stelling die in 2006 min of meer werd gekaapt door columnist Thomas Friedman, die zijn ‘Eerste Wet van de Oliepolitiek’ formuleerde. In rijke olielanden koopt de heerser het gebrek aan democratie en vrijheid af door de burgers op leuke dingen te fêteren. De Poetins, Chávezzen en koning Fahds houden het gemor zo op veilige afstand.
Maar als de olieprijs daalt, gaat het meteen mis. Voor henzelf wel te verstaan, niet voor de beschaving in hun landen. Bij een dalende olieprijs krijgt het volk meer democratie, want voor brood en spelen is er dan geen geld meer. Friedman wees op de Sovjet-Unie, waar tussen 1980 en 1995 de olieprijs kelderde en vrijheid en perestrojka meteen opbloeiden.
Je ziet het verschijnsel ook in olielanden, zegt hij, zodra de olieprijs even daalt: de heersers verliezen hun machtsbasis, worden afhankelijker van de rest van de wereld, en gaan zich beschaafder gedragen.
In de nota ‘Veilige Wereld, Veilig Nederland’ presenteerde het kabinet-Rutte vlak voor de zomervakantie zijn kijk op de toestand in de wereld. Die is weer wat zwarter. Letterlijk lezen we: ‘De schaliegasvondsten en de ontdekking van nieuwe olie- en gasvoorraden leiden op termijn mogelijk tot structureel lagere energieprijzen. Hiermee zouden de inkomsten voor landen als Rusland, Saoedi-Arabië en Venezuela teruglopen, met potentiële gevolgen voor de interne stabiliteit van deze landen.’ Dat is dus helemaal niet zo mooi Friedmaniaans, als we even aannemen dat met die gevolgen voor de stabiliteit wordt gedoeld op onrust en narigheid, en niet op democratisering. Nu sluit het een het ander ook niet helemaal uit, want hoe ongemakkelijk democratisering en stabiliteit samengaan wordt dagelijks bewezen sinds de zogenaamde Arabische lente.
Inmiddels heeft Michael Ross zich weer gemeld, met het boek The Oil Curse. Bezit van olie is niet alleen een vloek voor de democratie, maar ook nog eens voor de economie van een land. In olielanden is de kans op autoritaire regimes veel groter, de kans op burgeroorlogen idem, en in de afgelopen dertig jaar is de economische groei in niet-olielanden opvallend hoger geweest dan in verwende oliestaten. Maar dit is geen wet van Meden en Perzen.
Verstandige landen als Noorwegen en Australië bezwijken niet voor de verleiding van corruptie en cliëntisme, maar politieke zwakkelingen als Nigeria en Turkmenistan doen dat wel en steken het geld in Dagobert Duck projecten en lelijke standbeelden.
In hun boek Oil is Not a Curse, over de ervaringen in ex-Sovjetrepublieken, wijzen onderzoeksters Pauline Jones Luong en Erika Weinthal op de cruciale factor eigendom. Waar de staat alles voor het zeggen heeft en zich aan de olierijkdom kan vergrijpen (Turkmenistan en Oezbekistan) gaat het slechter dan in staten waar privaat kapitaal een vinger in de pap heeft (Kazachstan of Azerbeidzjan).
Moeten we nu blij of angstig worden van de schaliegasrevolutie? Dat lijkt me dus niet te voorspellen. Als de wereldmarktprijs van energie erdoor daalt, zal de democratie volgens Ross en Friedman in de verwende autocratieën opbloeien. Zelfs de economie zou kunnen opbloeien als die landen zich een beetje zouden gedragen als Zuid-Korea of Taiwan, landen die uitgesproken grondstoffenarm zijn en daarvan inventief en in ieder geval niet lui zijn geworden.
In onze veiligheidsstrategie moe ten we ons dus niet alleen voorbereiden op ‘instabiliteit’, maar ook beraden op kansen om deze landen het Rossiaanse zetje omhoog te geven.