Europese defensiesamenwerking niet gelijk aan een Europees leger
De politiek is verdeeld over de toekomst van Europese defensiesamenwerking maar de verschillende partijen hebben hun politieke pleidooien niet goed uitgewerkt. Volgens Dick Zandee verschuilen de voorstanders van een volledig geïntegreerde Europese krijgsmacht zich achter hun idealen, maar beargumenteert ook dat de felste tegenstanders de plank misslaan. Hij bepleit dat Den Haag in moet zetten op realistische en haalbare samenwerking met Europese partners op basis van clusters.
Enige jaren geleden droomde de Duitse bondskanselier, Angela Merkel, over een Europees leger. De reflectiegroep van elf Europese ministers van Buitenlandse Zaken nam de doelstelling op in haar recente rapport over de "Toekomst van Europa". De ministers waren overigens niet eensgezind. Zo nam de Nederlandse minister Rosenthal afstand van de wenselijkheid van een Europees leger. Het tegengestelde geldt voor de fractieleiders van de Liberalen en de Groenen in het Europees Parlement. In hun onlangs verschenen boek "Voor Europa" tonen Guy Verhofstadt en Daniel Cohn-Bendit zich voorstander van een Europese staat met één regering, één begroting en één leger.
In Nederland juichen twee politieke partijen een Europees leger toe (D'66 en Groen Links), terwijl op de linker- (SP) en rechterflanken (CU, SGP, PVV) het begrip uiterst besmet is. De PvdA pleit voor "verregaande Europese samenwerking", onder andere door samenvoeging van onderdelen van de Nederlandse krijgsmacht met die van België, Duitsland of het Verenigd Koninkrijk. CDA en VVD tonen zich voorstander van verdere samenwerking met gelijkgezinde partners. Ze zijn echter tegen één Europees leger en benadrukken sterk het belang van de NAVO-samenwerking.
Verwarring alom. Het ene Europese leger blijkt het andere niet. Verrassend is dit niet. De politieke pleidooien worden immers niet uitgewerkt. De voorstanders verbergen zich achter hun idealen en ontkennen de politieke realiteit. Een volledig geïntegreerd Europees leger veronderstelt een Europese superstaat. Inderdaad à la Verhofstadt & Co. Maar regeringen, parlementen en burgers in de EU-lidstaten delen hun federale ideaal niet. De oprichting van een Europees hoofdkwartier is al niet mogelijk gebleken. Londen blijft zich verzetten, niet op inhoudelijke maar op politieke gronden. Laat staan dat een Europees leger bespreekbaar is. Het komt geeneens op de politieke agenda. Dat geldt ook voor andere hoofdsteden in Europa.
Praktisch gezien is een Europese krijgsmacht eveneens onhaalbaar. Zet Duitse, Finse, Griekse en Portugese soldaten bij elkaar. Het resultaat is een Babylonische spraakverwarring - om van de overige 18 talen niet te spreken. Het materieel is niet hetzelfde. Een Nederlandse chauffeur kan niet rijden in een Spaans pantservoertuig. Een Belgische piloot vliegt in een F-16, niet in een Eurofighter of Gripen. Samenwerking tussen militairen uit Europese landen in Afghanistan en in andere crisisgebieden vereist kunst en vliegwerk ter plaatse. In het jargon: het ontbreekt aan standaardisatie en interoperabiliteit.
"There is no business like defence business." Dit is de belangrijkste reden waarom er geen Europees leger komt. Geen enkel land in Europa is bereid de verantwoordelijkheid en verantwoording over leven en dood bij de inzet van zijn militairen af te staan. Een Eurozone is gebaseerd op kille cijfers en financiële targets. In het militaire beroep zijn mensen de targets. Zolang binnen Europa de natiestaat blijft bestaan zal ook de nationale soevereiniteit over de krijgsmacht blijven.
De felste tegenstanders van de EU slaan evenzeer de plank mis. Zij negeren een andere werkelijkheid: de Nederlandse krijgsmacht heeft alleen nog toekomst door nauwe samenwerking met Europese partners. Geen Europees superleger, maar verdieping van de samenwerking tussen gelijkgezinde landen in bilaterale of regionale clusters. Onderlinge afhankelijkheid en specialisaties zijn daarin mogelijk. In die zin is soevereiniteit wel deelbaar, immers beter samen capaciteiten behouden dan ze alleen te verliezen. Nederland heeft dit al ervaren met afstoting van de Orion maritieme patrouillevliegtuigen en de Leopard 2 tanks.
Den Haag moet inzetten op realistische en haalbare samenwerking met Europese partners. Primair gaat het om België en Duitsland. We delen met onze zuiderbuur succesvolle integratie van de marines, gebaseerd op hetzelfde materieel (fregatten en mijnenjagers). Dat is ook mogelijk voor beide luchtmachten met hetzelfde toestel (de F-16). Met de oosterbuur ligt samenvoeging van delen van pantser- en luchtmobiele eenheden voor de hand, maar ook gecombineerde raketverdediging (Patriots) is mogelijk. Andere landen komen evenzeer in aanmerking. Nederland moet meer aandacht gaan besteden aan samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, die een vergaand bilateraal samenwerkingsverdrag hebben afgesloten. Het zijn nu eenmaal de twee belangrijkste "defensielanden" in Europa, met de grootste expeditionaire vermogens.
Het "Europese niveau" is vooral geschikt voor coördinatie en onderlinge afstemming tussen de clusters. Nationale duplicatie mag geen plaats maken voor duplicatie tussen groepen van landen. Ook gemeenschappelijk onderzoek, afstemming van technische vereisten en multinationale materieelprojecten kunnen Europees zijn, al betekent dat bijna altijd in variabele groepen. Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië en Slowakije hebben nu eenmaal weinig behoefte aan maritieme middelen. Slechts een beperkt aantal Europese landen schaffen onbemande vliegtuigen aan. Enzovoort. Europese defensiesamenwerking is gediend met flexibele verbanden tussen gelijkgezinde landen binnen Europa, niet met dagdromerij over een Europees leger.