Research

Security and Defence

Op-ed

Europese krijgsmacht is een illusie

27 Feb 2012 - 14:07

Volgens minister Hans Hillen is er meer Europese samenwerking nodig op defensiegebied. De stelling: Eén samenwerkende krijgsmacht is een illusie.

Minister van Defensie Hans Hillen onderkent dat verregaande Europese defensiesamenwerking noodzakelijker is dan ooit. De NAVO-operatie in Libië toonde nog eens de belangrijke Europese militaire tekortkomingen aan, en de afhankelijkheid van de Verenigde Staten. Maar in nagenoeg alle Europese landen dalen de defensiebudgetten.

Nederland besloot tot vermindering tot 12 procent in 2016.

Nederland staat niet alleen. In de drie grootste landen bedragen de reductiepercentages: Duitsland -6,5 procent, Frankrijk -4 procent en het Verenigd Koninkrijk -8 procent. Daarbij komt dat Europese landen primair vanuit nationaal perspectief bezuinigen, wat de gevreesde renationalisatie van de defensie-inspanningen versterkt.

Eindelijk is het dan zover dat landen met elkaar praten over de noodzakelijke intensivering van defensiesamenwerking. Pooling and sharing is op dit gebied de nieuwe mantra. 'Pooling' is de bundeling van gelijksoortige militaire capaciteiten van twee of meer landen om het gebruik daarvan te optimaliseren. 'Sharing' betreft de gezamenlijke verwerving en gebruik van militaire capaciteiten.

Het belangrijkste obstakel is ongetwijfeld soevereiniteit. Maar 'pooling and sharing' impliceert het accepteren van wederzijdse afhankelijkheden en het opgeven van een zekere mate van nationale soevereiniteit. Bij het denken daarover is gelukkig nu sprake van voortschrijdend inzicht. Impliceert soevereiniteit het vermogen om te handelen, dan is dat tevens het belangrijkste argument voor samenwerking. Dat is de enige manier waarop Europese landen hun soevereiniteit kunnen behouden of terugkrijgen. Intensivering van internationale defensiesamenwerking moet immers leiden tot grotere gemeenschappelijke militaire effectiviteit die de veiligheid en soevereiniteit ten goede komen.

Een ander knelpunt is het gebrek aan standaardisatie. Dat heeft negatieve gevolgen voor interoperabiliteit (het vermogen om effectief met andere krijgsmachten op te treden) en een gemeenschappelijke logistiek, onderhoud en opleiding en training. In Europa is op het gebied van militaire middelen voornamelijk sprake van fragmentatie in plaats van standaardisatie. Zo zijn er vier types grote gevechtstanks, zeven verschillende gevechtshelikopters, drie types gevechtsvliegtuigen en 23 uiteenlopende types pantservoertuigen.

Een uniek voorbeeld van de meerwaarde van standaardisatie is de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking. Doordat beide landen dezelfde mijnenbestrijdingsvaartuigen en M-fregatten bezitten, kunnen onderhoud, logistiek, opleiding en training onderling worden verdeeld. Daarnaast worden deze Belgische en Nederlandse marineschepen aangestuurd door het binationale marinehoofdkwartier in Den Helder. Beide landen blijven echter soeverein bij de politieke beslissing tot inzet van hun schepen.

Nog een ander knelpunt is het gebrek aan internationale afstemming. De NAVO en de EU kennen zowel overschotten als tekorten in militaire middelen. Defensieplanning is tot op heden echter een nationale aangelegenheid, die weinig rekening houdt met wat militair werkelijk noodzakelijk of overbodig is.

Diametraal tegenover de dalende defensiebudgettenstaan staan de stijgende kosten voor operaties en nieuw materieel. Zo heeft de Nederlandse bijdrage aan de NAVO-operatie in Uruzgan ongeveer ?1,9 miljard gekost. Tegelijkertijd wordt materieel exponentieel duurder. Defensie kocht dertig jaar geleden 202 F-16 gevechtsvliegtuigen voor ongeveer ?11 miljoen per stuk. De 'kale stuksprijs' van de JSF steeg tussen 2001 en 2011 van ?37,2 miljoen naar ?60,4 miljoen. Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk heeft aangetoond dat de aanschafkosten van grootmaterieel per decennium met 20-30 procent stijgen. De combinatie van dalende budgetten en stijgende kosten maakt het streven naar een veelzijdig inzetbare krijgsmacht tot een illusie. Dan rijst de vraag over welke krijgsmacht Nederland in de toekomst wel dient te beschikken.

De Nederlandse krijgsmacht treedt altijd in multinationaal verband op, door het leveren van building blocks. Nederlandse eenheden kunnen onder verschillende commandostructuren optreden, doorgaans in het kader van de NAVO of de EU. Elke verdere aanpassing van de Nederlandse krijgsmacht vereist dan ook internationale afstemming vooraf, op zijn minst met de meest nabijgelegen partners: België, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen, in het bijzonder Denemarken en Noorwegen. Drie voorbeelden van mogelijke Nederlandse maatregelen:

1. Beperking van deelname aan luchtoperaties. Dit betekent minder (nieuwe) gevechtsvliegtuigen (twee squadrons), mede gezien de voldoende Europese capaciteit op dit gebied, en meer capaciteiten op het gebied van onbemande vliegtuigen (Unmanned Aerial Vehicles - UAVs) voor waarneming boven land en zee, om bij te dragen aan opheffing van de tekorten in Europa.

2. Specialisatie of nichecapaciteit op het gebied van raketverdediging (missile defence). Met

de Patriotsystemen en de (aan te passen) SMART-L radars van de Luchtverdedigings- en Commandofregatten (LCF) kan Nederland hier een hoofdrol vervullen.

3. Versterking van de militaire speciale eenheden (MSE) van het Korps Commando Troepen (KCT) van de landmacht en van de maritieme special operations forces (MarSof) van het Korps Mariniers, die zoals aangetoond een essentiële bijdrage leveren aan asymmetrische operaties.

Kortom, in plaats van een veelzijdig inzetbare krijgsmacht, moet het streven een pasklare krijgsmacht zijn.