Research

Articles

GroenLinks plaatst zich buiten het defensiedebat

15 Mar 2006 - 00:00
Grondregels van internationale diplomatie worden met de voeten getreden door de resolutie die GroenLinks afgelopen weekend over defensiebeleid aannam. Volgens Kees Homan en Dick Leurdijk veroordeelt de partij zich tot getuigenispolitiek.'We hebben weer een stapje voorwaarts gezet', verklaarde Paul Rosenmöller zaterdagavond nadat het partijcongres van GroenLinks de eis uit het verkiezingsprogramma had geschrapt dat de NAVO moest worden opgeheven. Maar in feite was de fractieleider not amused. Variant 2 van de resolutie over het door GroenLinks noodzakelijk geachte vrede- en veiligheidsbeleid, die hem 's middags door een meerderheid was afgedwongen, gaf daar alle aanleiding toe.

Rosenmöller had zich sterk gemaakt voor variant 1 die onder meer stelt dat 'bij het bouwen aan een breder Europees veiligheidssysteem niet uitgesloten moet worden dat een veranderende NAVO daarin een rol kan spelen. De ontwikkeling van een eigen Europese defensiecapaciteit zal op zich al de NAVO doen veranderen. Een verdere samenwerking met Oost-Europa, waaronder Rusland, zoals die gestalte krijgt in het partnership for peace, SFOR en KFOR, kan op termijn een waardevolle bijdrage vormen aan een veiligheidsstelsel voor heel Europa' . Kortom, een visie die realistisch en haalbaar is.

Variant 2, die de meerderheid van het congres aanvaardde, poneert echter dat het karakter van de NAVO verbonden blijft met de Koude Oorlog. De NAVO dient volgens variant 2 vervangen te worden door ?een nieuw op te bouwen regionale vredesmacht van de VN, samen te stellen uit Unsas-eenheden.? Nationale legers worden, aldus deze variant, dan overbodig.

Deze stellingname roept een aantal vragen op. In de eerste plaats hoe de Kamerfractie hier beleid mee kan maken. Wat is immers het geval? Bij Unsas (United Nations Stand-by Arrangements System), gaat het om afspraken van lidstaten met de VN over het beschikbaar stellen van snel inzetbare militaire eenheden voor 'peace-keeping'-operaties. Nu hebben 88 lidstaten militaire eenheden aangeboden die in totaal 147.500 man personeel omvatten.

Het Nederlandse aanbod bestaat onder meer uit twee fregatten, een mariniersbataljon, een (luchtmobiel) infanteriebataljon, een brigadehoofdkwartier, een C130 Hercules transportvliegtuig en een squadron F-16 vliegtuigen.

Met zijn stellingname conformeert GroenLinks zich volledig aan het traditionele 'peace-keeping'-model dat de afgelopen jaren in VN-verband steeds meer onder druk is komen te staan. Daarbij stellen lidstaten, na eigen afweging, nationale eenheden ter beschikking voor de uitvoering van zogenaamde VN-operaties. Gelet op de reeks randvoorwaarden die het concept 'peace-keeping' kenmerken, wordt steeds meer getwijfeld aan de effectiviteit van dit instrument.

Bij peace-keeping is geweld alleen toegestaan onder uitzonderlijke omstandigheden: als zelfverdediging. Het Unsas-model is helemaal geënt op het 'peace-keeping' concept, inclusief de reeks randvoorwaarden. De bekendste zijn instemming van de conflictpartijen met de komst van de troepenmacht, het afzien van het gebruik van geweld en het respecteren van een neutrale opstelling. Het 'stand-by arrangement'-systeem is slechts bedoeld om de snelheid van beschikbaarstelling van troepen door lidstaten te vergroten, maar doet niets af aan de randvoorwaarden van 'peace-keeping'. Cruciaal is dat lidstaten ook onder dit systeem vasthouden aan hun bevoegdheid zelf te beslissen over het beschikbaar stellen van hun eenheden.

Het GroenLinks-denkbeeld van een regionale VN-vredesmacht samen te stellen uit Unsas-eenheden, is daarmee een contradictio in terminis. Zo bleek geen der negentien lidstaten die in 1994 reeds eenheden hadden aangemeld voor Unsas bereid troepen naar Rwanda te sturen.

De Nederlandse regering gebruikt voor de besluitvorming over de inzet van Nederlandse militairen het zogenoemde toetsingskader waarin vijf politieke (wenselijkheden-) en negen militaire ( haalbaarheid-) aandachtspunten staan. Er is onder het Unsas-model derhalve geen enkele zekerheid dat lidstaten in concrete gevallen ook daadwerkelijk troepen beschikbaar zullen stellen. Die achtergrond maakt duidelijk dat van de suggestie als zou er sprake kunnen zijn van een autonome regionale VN-vredesmacht geen sprake is.

Met deze opstelling gaat Groenlinks ook voorbij aan de erkenning dat de traditionele 'peace keeping'-operaties van de VN hun tijd grotendeels hebben gehad. Unprofor in ex-Joegoslavië heeft geleerd dat in de huidige vredesoperaties een 'robuust' optreden noodzakelijk kan zijn en de vredesmacht dan ook geweld moet kunnen gebruiken op basis van Hoofdstuk VII van het Handvest van de VN.

Zowel ex-secretaris-generaal van de VN, Boutros Ghali, als zijn opvolger, Kofi Annan, hebben herhaaldelijk verklaard dat de VN niet de mogelijkheden en middelen hebben voor dit soort 'groenhelm'-operaties. De VN beperken zich dan ook tot vredebewarende 'blauwhelmoperaties', zoals bijvoorbeeld die op Cyprus. De Hoofdstuk VII-operaties besteedt de VN uit aan internationale organisaties of ad-hoc coalities die wel in staat zijn deze complexere operaties te leiden. Dit past ook binnen de regionalisering van het veiligheidsbeleid van de laatste jaren. De NAVO-vredesmachten in Bosnië (SFOR) en Kosovo (KFOR) zijn hier voorbeelden van.

Tenslotte rijst de vraag waarom, als zo'n regionale VN-vredesmacht samengesteld uit Unsas-eenheden er komt, nationale legers dan overbodig worden. Daarmee lijkt GroenLinks te suggereren dat de bepleite VN-macht een autonoom karakter heeft, zonder dat dat verder wordt toegelicht. Daarmee blijft een hele reeks vragen voorhands onbeantwoord.

In wiens dienst staan deze militairen? Is toestemming van de Nederlandse regering niet meer nodig voor de inzet van Nederlandse militairen? Wie betaalt ze? Wie voorziet ze van materieel en uitrusting? Onder welk straf en tuchtrecht vallen ze? Kortom, de aangenomen resolutie gaat voorbij aan een aantal grondregels van internationale diplomatie en veroordeelt Groenlinks tot jarenlange getuigenispolitiek in de oppositiebanken.