Research

Articles

Het EU-referendum als paard van Troje

15 Mar 2006 - 00:00
Realiseren politici zich wat zij zich met het plan voor een referendum over de Europese grondwet op hun hals hebben gehaald? Over de hypocrisie rond het EU-referendum.

Volgens de ?belevingsmonitor? van het kabinet steunt ruim 80% van de Nederlandse bevolking het idee van een referendum over het nieuwe Europese verdrag. Dit is verrassend, daar 62% van alle Europeanen niet beseft dat een dergelijk document in de maak is. Ook met de werkzaamheden van de Europese Conventie, die de verdragswijziging in het afgelopen jaar heeft voorbereid, is slechts 40% van de Nederlandse bevolking bekend. Kortom: er is volstrekt geen duidelijkheid over de mate van publieke steun die voor deze fundamentele Europese discussie te verwachten is. Dit hoeft niet te verbazen, in aanmerking genomen de tegenstrijdige en onvolledige informatie die over het nieuwe verdrag de ronde doet. Een zorgvuldige voorbereiding van een referendum over deze materie vereist dat op een aantal fundamentele vragen eenduidig antwoord wordt gegeven ? kortom: dat heldere politieke keuzes worden gemaakt.

Een eerste valse noot is het gebruik van de term Grondwet voor de voorgestelde tekst. Het was te verwachten dat deze notie onmiddellijk megalomane associaties oproept. Auteurs van allerlei pluimage slaan aan op het beeld van de gevreesde Europese Superstaat die ons land zijn laatste nationale verworvenheden en bevoegdheden af zal nemen. Er is echter niet zozeer sprake van de introductie van nieuw beleid maar van aanpassing van de Europese spelregels. Fundamenteler dan het etiket, is de vraag hoe een ?brede maatschappelijke discussie? geëntameerd moet gaan worden gezien het veelvoud aan onderwerpen waarover momenteel nog onderhandeld wordt. Het aanvankelijke optimisme van Berlusconi dat deze besprekingen onder het Italiaanse Voorzitterschap zouden worden afgerond, lijkt te worden gelogenstraft. Vanaf het moment dat de onderhandelingen daadwerkelijk zullen zijn afgerond, rest de Nederlandse politiek vermoedelijk slechts een aantal weken om het uiteindelijke compromis aan de burgers te ?verkopen?.

Het opkomstcijfer bij de laatste verkiezingen voor het Europees Parlement illustreert hoe Europa zich van de burger heeft vervreemd. De Haagse politiek mag zich dan ook terecht afvragen waarom de Nederlander voor Europa warm zou moeten lopen. Europa stelt weliswaar de financiële en economische kaders maar de invulling van politieke themaìs die de straat raken zijn en blijven goeddeels een nationale zaak.

In het ?Strategisch Akkoord? van Balkenende I werd de rest van de wereld, inclusief Europa dan ook op een half A4-tje afgedaan. Den Haag kan het in de polder alleen wel af. Het door zowel politici als volksvertegenwoordigers stelselmatig negeren van de invloed van Europa op lidstaat Nederland maakt de collectieve steun voor een referendum over dit thema tamelijk hypocriet. Plotsklaps mag de Nederlandse burger bij de Europese politiek betrokken worden ? hetzelfde Europa waarvan het belang door dezelfde politici om eigen wille consequent is genegeerd en gebagatelliseerd.

Het lijkt derhalve enigszins naïef te veronderstellen dat dit Europese engagement door toedoen van nationale politici in een zeer kort tijdbestek zou opbloeien. De vraag rijst in hoeverre de voorstanders van het referendum zich hebben gerealiseerd dat dit noopt tot een weloverwogen allocatie van tijd, personele inzet en financiële middelen. Zo rijst de vraag hoe politieke partijen het eventueel bereikte compromis zullen gaan verkopen: eerlijk objectief of politiek-programmatisch getint? Oftewel: mocht het Balkenende ondanks de forse politieke tegenwind toch lukken om de joods-christelijke wortels in de preambule geboekstaafd te krijgen, zal hierop door het CDA dan getamboereerd gaan worden?

Ook is er nog steeds geen duidelijkheid over de voorspellende waarde van een niet-bindend referendum. Welke consequenties verbindt het parlement aan een civiel nee? Onze volksvertegenwoordiging dient immers idealiter de publieke opinie te weerspiegelen. De ultieme consequentie is derhalve dat Nederland bij een publiek nee het nieuwe Europese verdrag verwerpt, waarop ons land in de annalen wordt geboekstaafd als de lidstaat die een noodzakelijke stap in het Europese integratieproces torpedeerde ? een politiek weinig aanlokkelijke optie.

Ten slotte dit. Met inachtneming van de marginale onderlinge verschillen heeft ?de Nederlandse politiek? het belang van de verdergaande integratie door BV Nederland altijd onderschreven. Een massaal ?nee? van de kiezers zet de kloof tussen politieke en publieke opinie in de schijnwerpers. Het roept de vraag op of men in Den Haag door in meerderheid voor een referendum te pleiten, niet het Europese Paard van Troje heeft binnengehaald.

Hoe dan ook, nationale politici zullen zich voorafgaand aan het referendum in de Europese kaart moeten laten kijken. Niet langer kan Den Haag zich achter ?Brussel? verbergen. Niet langer kan zo de verplichte implementatie van Europese regels trots gepresenteerd worden als een innovatief nationaal initiatief, zoals het recente Kamerdebat over ongewenste emailberichtgeving. Alle politieke partijen zullen voor hun standpunt ten aanzien van meer Europese samenwerking onomwonden uit de kast moeten komen. Deze gedwongen openheid van zaken lijkt de enige positieve consequentie van het eerste nationale EU-referendum.